“Niet horen” in douanezaken onder voorwaarde toegestaan door EU-verdedigingsbeginsel.

Contentverzamelaar

“Niet horen” in douanezaken onder voorwaarde toegestaan door EU-verdedigingsbeginsel.
Een douane-expediteur moet bij het indienen van bezwaar steevast op verzoek uitstel van betaling krijgen. In dat geval is de Nederlandse praktijk om hem niet om commentaar te vragen voorafgaand aan het nemen van de beslissing niet in strijd met het Europees verdedigingsbeginsel. Maar de rechter hoeft de beslissing op het bezwaar niet nietig te verklaren als de uitkomst bij “wel horen” hetzelfde zou zijn geweest. Dat antwoordt het EU-Hof op vragen van de Nederlandse Hoge Raad.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 3 juli 2014 in de gevoegde zaken C-19/13 (Kamino) en C-130/13 (Datema)

Kamino en Datema, beide douane-expediteurs, hadden wegens onjuiste douane-aangiftes een zogenaamde 'uitnodiging tot betaling' ontvangen. In Nederland is het op grond van artikel 4:12, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht toegestaan dat deze 'utb' wordt uitgereikt zonder dat belanghebbenden voorafgaand in de gelegenheid worden gesteld commentaar te geven.

De Hoge Raad zag hierin aanleiding om het Hof onder meer de vraag voor te leggen of deze praktijk in overeenstemming is met het verdedigingsbeginsel, zoals vastgelegd in artikel 47 van het EU-Handvest van de Grondrechten.

Het Hof brengt eerst in herinnering dat nationale bestuursorganen verplicht zijn om de rechten van de verdediging te eerbiedigen, wanneer zij besluiten nemen die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen. De regels van het communautaire douanewetboek vallen binnen de werkingssfeer van het Unierecht. Het Hof voegt hieraan toe dat dit betekent dat ook belanghebbenden zich voor de nationale rechter rechtstreeks op de eerbiediging ervan kunnen beroepen.

Vervolgens onderzoekt het Hof het Nederlandse systeem van bezwaar en beroep, dat geen schorsende werking kent. Het Hof oordeelt dat wanneer de belanghebbende niet vooraf wordt gehoord de mogelijkheid tot opschorting van de betaling niet mag worden beperkt "indien er redenen zijn om aan de overeenstemming van de aangevochten beschikking met de douanewetgeving te twijfelen of indien de belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden", zoals omschreven in artikel 244, tweede alinea, van het Communautair douanewetboek. Dit zou een ongerechtvaardigde schending van het verdedigingsbeginsel opleveren, aldus het Hof.

Het EU-Hof benadrukt in dit verband dat de Nederlandse praktijk om de betalingsverplichting op verzoek van de belanghebbende op te schorten gedurende bezwaar en beroep, is gebaseerd op een ministeriële circulaire. De Hoge Raad moet nu nagaan of deze praktijk voldoende tegemoet komt aan het vereiste van artikel 244, tweede alinea, van het douanewetboek.

Tot slot oordeelt het EU-Hof dat een eventuele schending van het recht om te worden gehoord pas tot nietigverklaring van het na afloop van de bezwaarprocedure genomen besluit hoeft te leiden, wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad.