Contentverzamelaar

15 november: Hof veroordeelt rijverbod Oostenrijk

15 november 2005, arrest van het Hof van Justitie in zaak C-320/03

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Oostenrijk

HET RIJVERBOD VOOR BEPAALDE VRACHTAUTO'S OP DE INNTALAUTOBAHN IS ONVERENIGBAAR MET HET VRIJE VERKEER VAN GOEDEREN

Een belemmering van het intracommunautaire handelsverkeer kan in beginsel worden gerechtvaardigd door de bescherming van het milieu, maar het betrokken verbod is onevenredig.

Bij een verordening van de deelstaat Tirol 1 uit 2003 is voor vrachtauto's van meer dan 7,5 ton die bepaalde goederen, zoals afvalstoffen, stenen, aarde, motorvoertuigen, rondhout en granen, vervoeren, een rijverbod ingevoerd op een 46 km lang gedeelte van de Inntalautobahn. De verordening heeft tot doel de luchtkwaliteit te verbeteren, teneinde een duurzame bescherming van de gezondheid van de mens en van de flora en fauna te verzekeren.

In zijn arrest van heden stelt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op verzoek van de Commissie vast dat dit sectorale rijverbod in Tirol het vrije verkeer van goederen en met name de vrije doorvoer daarvan belemmert. Deze maatregel heeft immers betrekking op een uiterst belangrijk wegsegment, dat een van de hoofdverbindingen over land vormt tussen Zuid-Duitsland en Noord-Italië.

Een belemmering van het vrije verkeer van goederen, die in beginsel onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht, kan echter een rechtvaardiging vinden in dwingende eisen van milieubescherming, waarvan het Hof het belang beklemtoont.

Het Hof wijst erop dat aangezien de bij twee richtlijnen 2 vastgestelde jaargrenswaarde voor stikstofdioxide in het betrokken gebied in 2002 en 2003 was overschreden, Oostenrijk verplicht was te handelen om het door die richtlijnen voorgeschreven resultaat te bereiken. De Tiroolse verordening houdende het sectorale rijverbod en de rechtsgrondslag daarvan, de Oostenrijkse wet betreffende bescherming tegen luchtvervuiling, waarbij de richtlijnen zijn omgezet, voldoen echter niet aan de voorwaarden om het verbod als een onder die richtlijnen vallende maatregel te kunnen beschouwen.

Aangaande de bescherming van het milieu in het algemeen, stelt het Hof vast dat het sectorale rijverbod het evenredigheidsbeginsel schendt. Vóór de vaststelling van een zo verregaande maatregel als een algeheel rijverbod op een gedeelte van een snelweg die een vitale verbinding tussen bepaalde lidstaten vormt, hadden de Oostenrijkse autoriteiten namelijk grondig moeten onderzoeken of minder beperkende maatregelen konden worden getroffen. Zij hebben echter niet afdoende nagegaan of er inderdaad een realistisch alternatief bestond voor het transport van de betrokken goederen met andere vervoermiddelen of via andere wegverbindingen en met name of het spoor voldoende en passende capaciteit had. Bovendien was een overgangsperiode van slechts twee maanden voor de uitvoering van het sectoraal rijverbod kennelijk onvoldoende om de betrokken ondernemingen redelijkerwijs in staat te stellen zich aan te passen aan de nieuwe omstandigheden.