A-G: EAB kan worden uitgevaardigd voor de tenuitvoerlegging van een vonnis van een derde staat die door de uitvaardigende lidstaat is erkend

Contentverzamelaar

A-G: EAB kan worden uitgevaardigd voor de tenuitvoerlegging van een vonnis van een derde staat die door de uitvaardigende lidstaat is erkend
Een Europees aanhoudingsbevel (EAB) kan worden uitgevaardigd voor de tenuitvoerlegging van een vonnis van een derde staat die op grond van een internationale overeenkomst door de uitvaardigende lidstaat is erkend. Voorwaarde is wel dat de tenuitvoerlegging niet leidt tot een ernstige schending van de grondrechten. Daarnaast kan de tenuitvoerlegging van een EAB niet worden geweigerd op de enkele grond dat het strafbare feit buiten de uitvaardigende lidstaat is gepleegd wanneer voorbereidingshandelingen in de uitvaardigende lidstaat onlosmakelijk met het strafbare feit zijn verbonden. Dat is het advies van advocaat-generaal Kokott aan het EU-Hof in een Ierse zaak.

Het gaat om de conclusie van advocaat-generaal Kokott van 17 september 2020 in de zaak C-488/19, JR.

JR is Litouws staatsburger en werd in januari 2014 in Noorwegen aangehouden met een grote hoeveelheid verdovende middelen. Hij had in Litouwen (EU-lidstaat) met een derde persoon afgesproken om tegen beloning deze verdovende middelen naar Noorwegen (derde staat) te vervoeren. JR werd in Noorwegen veroordeeld tot een gevangenisstraf. Litouwen heeft deze veroordeling op grond van een internationale overeenkomst tussen Noorwegen en Litouwen erkend. JR is vervolgens overgeleverd aan Litouwen.

Na een voorwaardelijke vrijlating in 2016 heeft een rechter in Litouwen in februari 2018 bevolen dat JR het resterende gedeelte van zijn gevangenisstraf alsnog moet uitzitten. Omdat JR naar het buitenland was gevlucht werd door de rechter een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) uitgevaardigd. Op grond van Kaderbesluit 2002/584/JBZ (hierna: Kaderbesluit EAB) kunnen lidstaten Europese aanhoudingsbevelen uitvaardigen met het oog op de uitvoering van gevangenisstraffen. In januari 2019 werd JR in Ierland (EU-lidstaat) gearresteerd.

De Ierse rechter in deze zaak moet beoordelen of het EAB van Litouwen ten uitvoer kan worden gelegd. In dit verband vraagt de rechter aan het EU-Hof of een EAB kan worden uitgevaardigd voor de tenuitvoerlegging van een vonnis van een derde staat (Noorwegen) die op grond van een bilaterale overeenkomst is erkend door de uitvaardigende lidstaat (Litouwen). Daarnaast wil de rechter weten of de tenuitvoerlegging van een EAB kan worden geweigerd wanneer de strafbare feiten buiten de uitvaardigende lidstaat (Litouwen) zijn gepleegd, maar de voorbereidingshandelingen in de uitvaardigende lidstaat hebben plaatsgevonden.

Advies

De A-G benadrukt ten eerste dat het beginsel van wederzijdse erkenning ten grondslag ligt aan het Kaderbesluit EAB. Dit beginsel vereist dat lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaan dat alle andere lidstaten het EU-recht en met name de erkende grondrechten eerbiedingen. Het beginsel van wederzijdse erkenning kan volgens de A-G echter niet zonder meer op derde staten worden toegepast. Een rechterlijke uitspraak van een derde staat kan daarom niet als grondslag van een EAB dienen.

Dit is echter anders wanneer de uitvaardigende lidstaat het vonnis van de derde staat heeft erkend. De A-G stelt namelijk dat een EAB moet berusten op een rechterlijke beslissing van de uitvaardigende lidstaat (artikel 8, lid 1, onder c, Kaderbesluit EAB). Een beslissing waarbij een vrijheidsstraf uit een derde lidstaat wordt erkend kan ook kwalificeren als een rechterlijke beslissing van een uitvaardigende lidstaat. Een door een lidstaat erkend vonnis van een derde lidstaat kan in deze omstandigheden dus wel als grondslag voor de uitvaardiging van een EAB dienen.

De A-G concludeert verder dat de uitvoerende lidstaat de overlevering moet beƫindigen ingeval er zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de uitvoering van de straf tot een ernstige schending van de grondrechten zou leiden. Het gevaar van een ernstige schending kan onder meer betrekking hebben op de veroordeling in de derde staat, maar ook op de procedure en de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat.

Met betrekking tot de tweede vraag concludeert de A-G dat de tenuitvoerlegging van een EAB slechts kan worden geweigerd indien het gepleegde feit volledig buiten de uitvaardigende lidstaat is gepleegd (artikel 4, lid 7, onder b, Kaderbesluit EAB). Wanneer het strafbare feit volledig buiten de uitvaardigende lidstaat is gepleegd, maar de voorbereidingshandelingen hebben plaatsgevonden in de uitvaardigende lidstaat, kan de tenuitvoerlegging van een EAB volgens de A-G niet worden geweigerd. De voorbereidingshandelingen moeten wel onlosmakelijk met de strafbare feiten zijn verbonden.

Bij de vraag in hoeverre voorbereidingshandelingen in de uitvaardigende lidstaat moeten worden toegerekend aan het strafbare feit stelt de A-G dat rekening moet worden gehouden met de feiten van de desbetreffende zaak.

Opmerking: een conclusie van een A-G is een advies aan het EU-Hof. Het EU-Hof is volledig vrij daarvan af te wijken. Het is nog niet bekend wanneer de uiteindelijke uitspraak van het EU-Hof zal verschijnen. Dit kan nog enkele maanden duren. De uitspraak van het EU-Hof zal wel bindend zijn.

Meer informatie: