A-G: een nationale regeling of rechterlijke praktijk mag een nationale rechter niet beletten om prejudiciële vragen te stellen aan het EU-Hof

Contentverzamelaar

A-G: een nationale regeling of rechterlijke praktijk mag een nationale rechter niet beletten om prejudiciële vragen te stellen aan het EU-Hof
Het voorrangsbeginsel van het EU-recht vereist dat een nationale rechter elke nationale regeling of rechterlijke praktijk buiten toepassing laat die de inleiding van een prejudiciële procedure bij het EU-Hof verhindert. Een Hongaarse regeling op grond waarvan het Hongaarse openbaar ministerie bij het Hongaarse Hooggerechtshof een vordering kan instellen tot vaststelling van de onwettigheid van een prejudiciële verwijzingsbeschikking is in strijd met het EU-recht. Dat is het advies van advocaat-generaal Pikamäe aan het EU-Hof naar aanleiding van vragen van een Hongaarse rechter.

Het gaat om de conclusie van advocaat-generaal (hierna: A-G) Pikamäe van 15 april 2021 in de zaak C-564/19, IS .

Achtergrond

IS heeft de Zweedse nationaliteit en is in augustus 2015 in Hongarije verhoord wegens een strafbaar feit. Tijdens het verhoor werd IS via een tolk geïnformeerd over de verdenkingen tegen hem. Na het verhoor is IS vrijgelaten. In 2018 hebben de Hongaarse autoriteiten alsnog een strafprocedure ingesteld tegen IS bij de Hongaarse rechter. IS is niet verschenen op de terechtzitting. De strafprocedure werd in afwezigheid van IS voorgezet (bij verstek), maar IS werd niettemin vertegenwoordigd door een door de staat aangewezen advocaat.

De advocaat van IS heeft tijdens de terechtzitting een verzoek om een prejudiciële verwijzing aan het EU-Hof ingediend bij de Hongaarse rechter. Het verzoek is door de rechter ingewilligd. Volgens de Hongaarse rechter is het namelijk onduidelijk op welke wijze de tolk tijdens het verhoor is geselecteerd, of de vaardigheden van de tolk op passende wijze zijn gecontroleerd en of de tolk en de verdachte elkaar konden verstaan. De A-G stelt vast dat de rechter daarom van het EU-Hof wil weten of het in richtlijn 2010/64 neergelegde recht op vertolking van voldoende kwaliteit vereist dat lidstaten een register van onafhankelijke, naar behoren gekwalificeerde vertalers en tolken aanlegt of dat zij een rechterlijke toetsing van de kwaliteit van vertalers en tolken instelt.  

Daarnaast wil de rechter volgens de A-G van het EU-Hof weten of de richtlijnen 2010/64 , 2012/13 en 2016/343 – die door de EU zijn vastgesteld om de rechten van verdachten te versterken - zich ertegen verzetten dat de verdachte bij verstek wordt veroordeeld wanneer niet kan worden vastgesteld dat hij tijdens het verhoor in kennis is gesteld van het voorwerp van de tenlastelegging of beschuldiging, omdat er mogelijk inadequate vertolking heeft plaatsgevonden.

Het Hongaarse openbaar ministerie heeft vervolgens – nadat de rechter een prejudiciële verwijzing bij het EU-Hof had ingediend – beroep in het belang van de wet bij het Hongaarse Hooggerechtshof ingesteld tegen de prejudiciële verwijzingsbeschikking van de rechter. Het Hooggerechtshof heeft de prejudiciële verwijzingsbeschikking van de rechter vervolgens onwettig verklaard, onder meer omdat de gestelde prejudiciële vragen niet relevant zouden zijn voor de beslechting van de zaak. De uitspraak van het Hooggerechtshof vernietigt de verwijzingsbeschikking echter niet en verplicht de lagere rechter ook niet om de verwijzingsbeschikking in te trekken.

De rechter geeft aan dat hij – ondanks de beslissing van het Hooggerechtshof – zich afvraagt hoe hij in het vervolg van de bij hem voorliggende zaak moet handelen. Daarom heeft de rechter aanvullende prejudiciële vragen aan het EU-Hof gesteld. In dit verband wil de rechter van het EU-Hof weten of artikel 267 EU-Werkingsverdrag zich ertegen verzet dat een hogere nationale rechter – zoals het Hooggerechtshof – de prejudiciële verwijzingsbeschikking van een lagere rechter onwettig verklaart. Volgens de rechter is daarbij van belang dat de vaststelling van de onwettigheid van de verwijzingsbeschikking geen gevolgen heeft voor de rechtsgevolgen van de verwijzingsbeschikking met betrekking tot de schorsing van het hoofdgeding en de voortzetting van de prejudiciële procedure.

De rechter legt het EU-Hof ook andere prejudiciële vragen voor. Deze vragen moeten volgens de A-G echter niet-ontvankelijk worden verklaard

Advies

Onwettig verklaring prejudiciële verwijzingsbeschikking

De A-G concludeert dat artikel 267 EU-Werkingsverdrag zich verzet tegen de toepassing van nationale regels die een hogere rechter in staat stellen om een prejudiciële verwijzingsbeschikking van een lagere rechter onwettig te verklaren. Met name wanneer de vaststelling van de onwettigheid geen gevolgen heeft voor de schorsing van de zaak – in afwachting van het prejudiciële arrest van het EU-Hof – en de voortzetting van de prejudiciële procedure bij het EU-Hof. De A-G komt tot de bovenstaande conclusie op grond van drie redenen.

Ten eerste concludeert de A-G dat de prejudiciële procedure in artikel 267 EU-Werkingsverdrag de hoeksteen van de rechterlijke bescherming binnen de EU vormt. Door middel van de prejudiciële procedure wordt een dialoog tussen het EU-Hof en de nationale rechterlijke instanties tot stand gebracht om de juiste toepassing van het EU-recht te verzekeren. Nationale wetgeving of nationale rechterlijke praktijken mogen een rechter niet beletten om gebruik te maken van deze dialoog in het kader van de prejudiciële procedure.

Ten tweede concludeert de A-G dat een nationale rechter ertoe kan besluiten om liever geen prejudiciële vragen aan het EU-Hof te stellen om te voorkomen dat de prejudiciële verwijzingsbeschikking door een hogere rechter onwettig wordt verklaard. Indien nationale wetgeving of nationale rechterlijke praktijken tot de in de vorige alinea bedoelde situatie zou leiden, zou volgens de A-G de doelmatigheid van het EU-recht in gevaar kunnen komen. Rechtsvragen ten aanzien van het EU-recht zullen dan namelijk niet of minder gauw aan het EU-Hof worden gesteld.

Ten derde benadrukt de A-G dat een prejudicieel arrest van het EU-Hof bindend is voor de nationale rechter bij de beslechting van het hoofdgeding (hierna: EU-verplichting). Volgens de A-G kan een verwijzende rechter worden belemmerd om deze EU-verplichting na te komen doordat er op nationaal niveau een arrest van een hogere rechter bestaat die de prejudiciële verwijzingsbeschikking onwettig heeft verklaard. Door het bestaan van een arrest van de hogere nationale rechter is onzeker of de lagere nationale rechter volle werking kan verlenen aan de door het EU-Hof gewezen prejudiciële arrest.  

Op grond van het voorgaande concludeert de A-G dat een nationale bepaling die de inleiding van de in artikel 267 EU-Werkingsverdrag vastgelegde prejudiciële procedure verhindert, op grond van het EU-voorrangsbeginsel buiten toepassing moet worden gelaten.

Recht op vertolking van voldoende kwaliteit

De A-G concludeert dat richtlijn 2010/64 aldus moet worden uitgelegd dat de EU-lidstaten verplicht zijn om ervoor te zorgen dat een verdachte of beklaagde - die de taal van de strafprocedure niet spreekt of verstaat - de mogelijkheid moet hebben om een klacht te formuleren dat de kwaliteit van de vertolking onvoldoende is. Richtlijn 2010/64 verplicht de EU-lidstaten niet om een register van onafhankelijke, naar behoren gekwalificeerde vertalers en tolken in te stellen, om op die manier ervoor te zorgen dat het recht op vertolking van voldoende kwaliteit is.

Veroordeling bij verstek wanneer verdachte tijdens verhoor op inadequate wijze door een tolk in kennis is gesteld van de beschuldigingen

De A-G concludeert dat de richtlijnen 2010/64 , 2012/13 en 2016/343 niet in de weg staan aan de mogelijkheid om een verdachte bij verstek te veroordelen wanneer door inadequate vertolking niet kan worden vastgesteld of hij tijdens het verhoor in kennis is gesteld van de tenlastelegging of de beschuldiging. De advocaat van de verdachte moet wel de mogelijkheid hebben om de regelmatigheid van een handeling of de gehele procedure wegens schending van het recht op informatie aan te kunnen vechten bij een rechter.

Indien het recht op informatie over de beschuldiging tijdens de onderzoeksfase – waaronder tijdens het verhoor – is geschonden, kan deze schending volgens de A-G worden verholpen in de fase waarin de verdachte bij verstek wordt veroordeeld. De informatie moet volgens de A-G wel uiterlijk worden medegedeeld op het moment dat de debatten over de gegrondheid van de beschuldigingen daadwerkelijk worden geopend bij de rechter. Daardoor wordt de advocaat van de verdachte alsnog in staat gesteld om de belangen van de verdachte op een goede manier te kunnen behartigen.  

Opmerking : een conclusie van een A-G is een advies aan het EU-Hof. Het EU-Hof is volledig vrij daarvan af te wijken. Het is nog niet bekend wanneer de uiteindelijke uitspraak van het EU-Hof zal verschijnen. Dit kan nog enkele maanden duren. De uitspraak van het EU-Hof zal wel bindend zijn.

Meer informatie: