A-G: gedetacheerde werknemer kan wettelijke bepalingen inzake minimumlonen van een andere lidstaat inroepen bij de rechter in zijn lidstaat van herkomst

Contentverzamelaar

A-G: gedetacheerde werknemer kan wettelijke bepalingen inzake minimumlonen van een andere lidstaat inroepen bij de rechter in zijn lidstaat van herkomst
Een gedetacheerde werknemer kan een schending van een nationale wettelijke regeling inzake minimumlonen van de lidstaat van ontvangst aanvoeren in het kader van een in de lidstaat van herkomst ingestelde gerechtelijke procedure. De rechter van de lidstaat van herkomst moet wel bevoegd zijn om van de zaak kennis te nemen, bijvoorbeeld omdat de werkgever zijn vestiging in die staat heeft. Dat is het advies van advocaat-generaal Bobek aan het EU-Hof naar aanleiding van vragen van een Hongaarse rechter.

Het gaat om de conclusie van advocaat-generaal (hierna: A-G) Bobek van 6 mei 2021 in de zaak C-428/19, Rapidsped .

Achtergrond

In 2015 en 2016 hebben OL, PM en RO (hierna: verzoekers) arbeidsovereenkomsten gesloten met de in Hongarije gevestigde rechtspersoon Rapidsped, voor de functie van vrachtwagenbestuurder in het internationale wegvervoer. Met deze overeenkomsten heeft Rapidsped zich ertoe verbonden om de verzoekers naast het basisloon ook dagvergoedingen - die de ‘kosten in het buitenland’ dekken - en vergoedingen voor brandstofbesparing te betalen.

Voor de uitvoering van hun werkzaamheden moesten de verzoekers zich eerst per minibus van Hongarije naar Frankrijk begeven en vervolgens in het kader van hun werk herhaaldelijk de grens overschrijden. Bij het begin van elke terbeschikkingstelling in het buitenland overhandigde Rapidsped aan verzoekers een door een Hongaarse notaris gewaarmerkte verklaring en een door het Franse ministerie van Arbeid afgegeven detacheringsverklaring. In de detacheringsverklaring stond dat het loon van verzoekers 10,40 euro per uur bedroeg, een bedrag dat hoger is dan het Franse minimumloon van 9,76 euro.

Verzoekers ontvingen op basis van hun arbeidsovereenkomst slechts een uurloon van 3,24 euro per uur. Het gaat dus om een verschil van 6,52 euro tussen het Franse minimumloon en het door verzoekers ontvangen uurloon. Verzoekers zijn om die reden een procedure gestart bij een Hongaarse rechter. Rapidsped heeft tijdens de procedure aangevoerd dat het verschil van 6,52 euro in feite wordt gedekt door de aan verzoekers betaalde dagvergoedingen en de vergoedingen voor brandstofbesparing.

De Hongaarse rechter heeft vijf prejudiciële vragen aan het EU-Hof voorgelegd. De A-G behandelt slechts vier prejudiciële vragen, aangezien één vraag volgens de A-G niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Advies

Toepasselijkheid EU-detacheringsrichtlijn

De rechter wil in de eerste plaats van het EU-Hof weten of richtlijn 96/71 (hierna: EU-Detacheringsrichtlijn) van toepassing is op het internationaal verrichten van diensten in de sector wegvervoer. Volgens de A-G is deze vraag al bevestigend beantwoord door het EU-Hof in de zaak C-815/18 (lees het ECER-bericht over de uitspraak van het EU-Hof in die zaak).

Inroepen wettelijke regeling inzake minimumlonen van de lidstaat van ontvangst bij de rechter van lidstaat van herkomst

De rechter wil in de tweede plaats van het EU-Hof weten of Hongaarse werknemers een schending van de EU-detacheringsrichtlijn en van de Franse wettelijke regeling inzake het minimumloon kunnen tegenwerpen aan hun Hongaarse werkgever (Rapidsped) in het kader van een bij de Hongaarse rechter ingestelde procedure.

De A-G concludeert dat artikel 3, lid 1 van de EU-Detacheringsrichtlijn een dwingende kern van (arbeids)voorwaarden en omstandigheden invoert waarvan de EU-lidstaten en de werkgevers van de ter beschikking gestelde werknemers niet kunnen afwijken. Deze voorwaarden en omstandigheden zijn van toepassing ongeacht het recht dat van toepassing is op de arbeidsovereenkomst tussen de gedetacheerde werknemer en zijn werkgever.

De (arbeids)voorwaarden en omstandigheden uit artikel 3, lid 1, EU-Detacheringsrichtlijn beogen volgens de A-G een basisniveau van arbeidsbescherming voor de gedetacheerde werknemers te verzekeren. De minimumlonen maken deel uit van dit basisniveau van bescherming en worden bepaald door het nationale recht van de ontvangende lidstaat dat deze minimumlonen vaststelt. In deze zaak betekent dit volgens de A-G dat de Hongaarse rechter de Franse wetgeving inzake minimumlonen moet toepassen op de arbeidsovereenkomst van de gedetacheerde werknemers, aangezien Frankrijk de lidstaat van ontvangst is.

De gedetacheerde werknemers kunnen zich dus beroepen op het Franse recht inzake minimumlonen bij de Hongaarse rechter. De rechter in de zaak moet echter wel bevoegd zijn om van de zaak kennis te nemen, bijvoorbeeld omdat – zoals in deze zaak – de werkgever zijn vestiging in de lidstaat van de rechter heeft.

Dagvergoedingen als onderdeel van het loon

De rechter wil in de derde plaats van het EU-Hof weten of dagvergoedingen ter vergoeding van de kosten van de terbeschikkingstelling van een werknemer in het buitenland als onderdeel van het (minimum)loon van die werknemer moeten worden beschouwd.

Artikel 3, lid 7 van de EU-Detacheringsrichtlijn bepaalt dat toeslagen in verband met de terbeschikkingstelling als deel van het minimumloon kunnen worden beschouwd voor zover deze niet uitgekeerd worden als vergoeding van daadwerkelijk in verband met de terbeschikkingstelling gemaakte onkosten (zoals reiskosten, verblijfskosten en kosten voor voeding). De A-G concludeert dat bewijsstukken moeten worden overhandigd om vast te kunnen stellen of de dagvergoedingen daadwerkelijk worden uitbetaald voor de in het verband met de terbeschikkingstelling gemaakte onkosten. Indien geen bewijsstukken (van de kosten) worden overhandigd kunnen dagvergoedingen niet worden aangemerkt als dergelijke onkosten. Het staat aan de nationale rechter om dit na te gaan.

De A-G concludeert verder dat een dagvergoeding– die niet op grond van bewijsstukken kan worden aangemerkt als vergoeding voor specifieke in verband met de terbeschikkingstelling gemaakte onkosten – gewoon onderdeel is van het minimumloon.  

Vergoeding voor brandstofbesparing en de verkeersveiligheid

De rechter wil in de vierde plaats van het EU-Hof weten of een vergoeding voor brandstofbesparing verenigbaar is met artikel 10 van EU-verordening 561/2006 inzake bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer . Deze bepaling verbiedt vervoersondernemingen om bestuurders vergoedingen te betalen (i) naargelang van de afgelegde afstand en/of hoeveelheid vervoerde goederen en/of (ii) ingeval dergelijke betalingen van dien aard zijn dat zij de verkeersveiligheid in gevaar te brengen.

De A-G concludeert dat er wel een indirect verband tussen het brandstofverbruik en de afgelegde afstand/het vervoerde gewicht bestaat, maar dat bij de mate van brandstofgebruik ook vele andere factoren een rol spelen (o.a. bandenspanning, rijstijl). De vergoeding voor brandstofbesparing wordt daarom niet alleen betaald naargelang van de afgelegde afstand en/of hoeveelheid vervoerde goederen.

Vervolgens concludeert de A-G dat er in dit geval ook onvoldoende bewijs is om vast te stellen dat de betaling van de vergoeding voor brandstofbesparing de verkeersveiligheid in gevaar brengt. Volgens de A-G zorgt de betaling van een vergoeding voor brandstofbesparing juist voor het tegenovergestelde resultaat. Gevaarlijk rijgedrag is namelijk vaak het gevolg van snel rijden, te veel gas geven of op de verkeerde plaatsen gas geven. Dit soort activiteiten zorgen er volgens de A-G juist voor dat meer brandstof wordt verbruikt dan dat er brandstof wordt bespaard.

Het staat volgens de A-G uiteindelijk aan de nationale rechter om op basis van alle omstandigheden van het geval een definitief oordeel te geven over de vraag of de brandstofvergoeding verenigbaar is met artikel 10 van EU-verordening 561/2006.

Opmerking : een conclusie van een A-G is een advies aan het EU-Hof. Het EU-Hof is volledig vrij daarvan af te wijken. Het is nog niet bekend wanneer de uiteindelijke uitspraak van het EU-Hof zal verschijnen. Dit kan nog enkele maanden duren. De uitspraak van het EU-Hof zal wel bindend zijn.

Meer informatie:

  • ECER-dossier – Detachering
  • ECER-bericht - EU-Hof: EU-Detacheringsrichtlijn van toepassing op de wegvervoersector (3 december 2020)