Contentverzamelaar

A-G: Verbod op het onverdoofd slachten van dieren in het kader van een religieus ritueel in strijd met het EU-recht
Het onverdoofd slachten van dieren in het kader van religieuze rituelen vormt een op grond van het EU-recht toegestane uitzondering op de hoofdregel dat alle dieren verdoofd moeten worden. De mogelijkheid om strengere voorschriften vast te stellen bij het onverdoofd slachten van dieren mag er niet toe leiden dat deze uitzondering in feite teniet wordt gedaan. Het volledig verbieden van het onverdoofd slachten van dieren leidt tot een dergelijk tenietgaan van de uitzondering en is om die reden in strijd met het EU-recht. Dat is het advies van advocaat-generaal Hogan aan het EU-Hof in een Belgische zaak.

Het gaat om de conclusie van advocaat-generaal Hogan van 10 september 2020 in de zaak C-336/19, Centraal Israëlitisch Consistorie van België .

In 2017 heeft het Vlaamse Gewest (België) een decreet uitgevaardigd op grond waarvan het verboden werd om dieren zonder verdoving te slachten. Volgens joodse en islamitische tradities worden dieren echter zonder verdoving geslacht. Door het nieuwe decreet werd het voor joden en moslims dus onmogelijk om hun religieuze rituelen uit te oefenen. Verschillende joodse- en moslimverenigingen hebben bij het Grondwettelijk Hof van België om (gedeeltelijke) vernietiging van dit decreet verzocht.

Het EU-recht bepaalt dat dieren in beginsel alleen mogen worden gedood nadat zij zijn verdoofd ( artikel 4, lid 1, verordening 1099/2009 ). Voor religieuze rituelen geldt een uitzondering. In het kader van een religieus ritueel is slachten zonder verdoving toegestaan, mits de slachting in een slachthuis plaatsvindt ( artikel 4, lid 4, verordening 1099/2009 ). Deze uitzonderingsmogelijkheid voor religieuze rituelen is een uitwerking van de vrijheid van godsdienst ( artikel 10, lid 1, EU-Handvest van de grondrechten ).

De lidstaten mogen echter weer van deze uitzonderingsmogelijkheid voor religieuze rituelen afwijken ( artikel 26, lid 2, eerste alinea, onder c, verordening 1099/2009 ). Volgens het Grondwettelijk Hof van België is echter niet duidelijk in welke mate de lidstaten mogen afwijken. In dit verband vraagt het Grondwettelijk Hof van België aan het EU-Hof of het de lidstaten is toegestaan om een algeheel verbod op het onverdoofd slachten van dieren in te voeren. Tevens wil de rechter weten of een dergelijk verbod verenigbaar is met de vrijheid van godsdienst ( artikel 10, lid 1, EU-Handvest van de grondrechten ).

Advies

De advocaat-generaal (hierna: A-G) concludeert ten eerste dat de uitzondering voor rituele slachtingen (artikel 4, lid 4, verordening 1099/2009) de wil van de EU-wetgever weerspiegelt om de vrijheid van godsdienst te eerbiedigen ondanks het vermijdbare lijden dat dieren wordt berokkend in het kader van rituele slachtingen zonder voorafgaande verdoving. Het gaat hier om een beleidskeuze van de EU-wetgever. Volgens de A-G kan het EU-Hof niet toestaan dat deze beleidskeuze wordt uitgehold door individuele lidstaten. Met name wanneer specifieke maatregelen ter bevordering van het dierenwelzijn inhoudelijk tot gevolg hebben dat de uitzondering ten gunste van bepaalde religieuze groepen teniet wordt gedaan.

De A-G benadrukt verder dat lidstaten op grond van artikel 26, lid 2, eerste alinea, onder c van verordening 1099/2009 mogen afwijken van de uitzonderingsmogelijkheid voor rituele slachtingen. Lidstaten kunnen dus strengere voorschriften vaststellen die een uitgebreidere bescherming beogen bij het (onverdoofd) slachten van dieren. Voorwaarde is wel dat deze nationale voorschriften de aard van de uitzonderingsmogelijkheid respecteren. Van belang daarbij is dat de kern van de uitzondering, namelijk het rituele slachten, niet wordt aangetast. Deze afwijkingsmogelijkheid machtigt de lidstaten dus niet om een volledige of nagenoeg volledige afschaffing van rituele slachtingen in te voeren.

De A-G concludeert verder dat een volledige of nagenoeg volledige afschaffing van rituele slachtingen de kern van de uitzondering aantast. Aangezien deze uitzondering een uitdrukking vormt van de vrijheid van godsdienst zou een dergelijke praktijk de religieuze waarborgen uit artikel 10, lid 1, EU-Handvest van de grondrechten aantasten. Volgens de A-G kan een dergelijke aantasting niet worden gerechtvaardigd door te stellen dat vlees van onverdoofd geslachte dieren wel in andere lidstaten kan worden gekocht.

De A-G stelt tenslotte dat de lidstaten overeenkomstig artikel 26, lid 2, eerste alinea, onder c van verordening 1099/2009 wel technische voorwaarden of eisen kunnen vaststellen om het lijden van dieren zoveel mogelijk te beperken. Deze voorwaarden en eisen zouden dan gelden naast de in de verordening opgelegde verplichting dat het ritueel slachten in een slachthuis moet plaatsvinden.