Contentverzamelaar

AG: AIRBNB levert een dienst van de informatiemaatschappij
AIRBNB levert een dienst die bestaat uit het in contact brengen van potentiële gasten met ‘hosts’ die een accommodatie aanbieden voor de korte termijn, via een elektronisch portaal, in een situatie waarin de dienstverlener geen controle uitoefent over de essentiële procedures voor de dienstverlening. De richtlijn over diensten van de informatiemaatschappij verzet zich tegen beperkingen door een lidstaat van het vrije verkeer van deze diensten. Dit adviseert advocaat-generaal Szpunar aan het EU-Hof.

Het gaat om de conclusie van advocaat-generaal Szpunar van 30 april 2019 in de zaak C-390/18, AIRBNB Ireland

AIRBNB Ireland, een bedrijf naar Iers recht, beheert een online portaal dat zogenaamde ‘hosts’ (zowel professionals als individuen) die een accommodatie te huur aanbieden, in contact brengt met personen die op zoek zijn naar een dergelijke accommodatie.

Naar aanleiding van een klacht wordt AIRBNB Ireland in Frankrijk strafrechtelijk vervolgd wegens overtreding van de de wet voor het uitoefenen van vastgoed gerelateerde activiteiten. . AIRBNB Ireland zou volgens de dagvaarding als makelaar optreden. AIRBNB Ireland ontkent en stelt dat deze wet niet van toepassing is omdat hij onverenigbaar is met de richtlijn over diensten van de informatiemaatschappij (2015/1535). De Franse rechter stelt hierop het EU-Hof de vraag of de diensten die AIRBNB Ireland levert in Frankrijk vallen onder het vrije verkeer van diensten zoals neergelegd in die richtlijn. Daarnaast vraagt hij of de regels die gelden voor de uitoefening van het beroep van makelaar in Frankrijk op de diensten van AIRBNB van toepassing zijn.

De AG analyseert of de dienst van AIRBNB Ireland gekwalificeerd kan worden als een ‘dienst van de informatiemaatschappij’. Hierbij moet ten eerste naar de aard van de dienst gekeken worden, waarbij de vraag is of de dienst op afstand geleverd wordt, zonder dat de partijen tegelijkertijd aanwezig zijn, en of de dienst geheel door middel van elektronische apparatuur plaatsvindt, zonder dat er een verband is met diensten die ook een materieel aspect hebben, ondanks dat ze via de elektronische weg geleverd worden.

De AG merkt hierover op dat de rechtspraak van het EU-Hof al enkele criteria geeft voor zogenoemde ‘gemengde diensten’ waarbij een dienst zowel een elektronisch als een niet-elektronisch element bevat. Zo hangt de karakterisering onder meer af van de vaststelling of de diensten van elkaar kunnen worden onderscheiden of niet. Ook kijkt het Hof naar de mate van controle van de (bemiddelings)dienst van het platform over de bemiddelde diensten. Aan de hand van deze criteria komt de AG tot de conclusie dat er hier sprake is van een dienst van de informatiemaatschappij in de zin van de richtlijn. Het gaat hier namelijk om een dienst die bestaat uit het in contact brengen van potentiële gasten met ‘hosts’ die een accommodatie aanbieden voor de korte termijn, via een elektronisch portaal, in een situatie waarin de dienstverlener geen controle uitoefent over de essentiële procedures voor de dienstverlening. Het feit dat de dienstverlener daarnaast ook andere diensten aanbiedt die wel een materiële inhoud hebben, doet hier niet aan af, zolang de elektronische dienst geen onafscheidelijk deel uitmaakt van die andere diensten.

De Franse regels voor het beroep van makelaar die worden toegepast op AIRBNB Ireland, vallen volgens de AG binnen de werkingssfeer van de richtlijn. Het gaat om wetgeving van een lidstaat die niet de lidstaat van oorsprong van de dienst is en die mogelijk een beperking oplevert voor diensten van de informatiemaatschappij. Dergelijke regels kunnen alleen gehandhaafd worden tegen de dienstverlener wanneer zij in overeenstemming zijn met de richtlijn. De AG vindt dat een lidstaat die niet de lidstaat van oorsprong is, alleen per geval mag afwijken van het vrij verkeer van diensten van de informatiemaatschappij. De nationale rechter zal moeten bepalen of de maatregelen in het geval van AIRBNB Ireland nodig zijn voor de bescherming van consumenten en niet verder gaan dan wat nodig is om dit doel te verwezenlijken. Daarnaast moeten dergelijke maatregelen die het vrije verkeer van diensten beperken worden gemeld bij de Commissie. In dit geval heeft Frankrijk dit niet gedaan. Als gevolg hiervan kan de maatregel niet gehandhaafd worden.

 

De conclusie van de advocaat-generaal bindt het EU-Hof niet. Het arrest van het EU-Hof wordt binnen enkele maanden verwacht. ​​​​​​​