Contentverzamelaar

AG: Geschillenregeling in handelsakkoord EU-Canada is niet in strijd met EU-recht
Het geschillenbeslechtingsmechanisme in het EU-handelsakkoord met Canada (CETA) is verenigbaar is met het EU-recht. CETA maakt geen inbreuk op de exclusieve bevoegdheid van het EU-Hof om het EU-recht uit te leggen. Ook is CETA verenigbaar is met de mensenrechten en het beginsel van gelijke behandeling. Dat is het advies van de Advocaat-Generaal Bot aan het EU-Hof. De conclusie van de AG is in lijn met het standpunt van de Europese Commissie, de Raad en tien lidstaten, waaronder Nederland. De conclusie van de AG is een niet bindend advies aan het EU-Hof. De uitspraak van het Hof wordt over enkele maanden verwacht.

Het betreft de Conclusie van AG Bot van 19 januari 2019 in Advies 1/17, aangevraagd door België.

Op 30 oktober 2016 hebben Canada, enerzijds, en de Europese Unie, anderzijds een vrijhandelsovereenkomst ondertekend: de Comprehensive Economic and Trade Agreement (CETA). Deze overeenkomst beoogt een mechanisme in te stellen voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten, voor wat betreft de uitlegging en de toepassing van de overeenkomst. (Investor-State Dispute Settlement System, ISDS). Hierbij is ook de oprichting van een Gerecht en een Beroepsinstantie, en op de langere termijn een multilateraal investeringsgerecht, voorzien. Het is dus de bedoeling dat er een stelsel van investeringsgerechten in het leven wordt geroepen (Investment Court System, ICS).

Op 7 september 2017 heeft België verzocht om het advies van het EU-Hof over de verenigbaarheid van het ISDS geschillenbeslechtingsmechanisme met het EU-recht. België twijfelde namelijk over de gevolgen van dit onderdeel van de overeenkomst voor de exclusieve bevoegdheid van het EU-Hof om een definitieve uitlegging van het EU-recht te geven, het algemene beginsel van gelijke behandeling en het vereiste van doeltreffendheid van het EU-recht, en het recht op toegang tot een onafhankelijk en onpartijdig gerecht.

In zijn conclusie geeft AG Bot aan dat het geschillenbeslechtingsmechanisme volgens hem verenigbaar is met het EU-recht. Ten eerste is de AG van oordeel dat de overeenkomst geen afbreuk doet aan de autonomie van het EU-recht, en het beginsel dat alleen het EU-Hof bevoegd is om een definitieve uitlegging van het EU-recht te geven onverlet laat. De AG benadrukt hierbij dat de invoering van een geschillenbeslechtingsmechanisme zich laat verklaren door het vereiste van wederkerigheid bij de bescherming die de overeenkomst toekent aan investeerders van alle partijen. De AG stelt ook dat dit mechanisme in overeenstemming is met het ontbreken van rechtstreekse werking van de overeenkomst. Volgens de AG zijn de waarborgen die de invoering van het geschillenbeslechtingsmechanisme biedt voldoende. De bevoegdheid van het CETA-gerecht is immers zeer strikt afgebakend. Wanneer een van de partijen inbreuk maakt op de relevante bepalingen van de overeenkomst, kan dat gerecht de benadeelde investeerders alleen maar schadeloos stellen. Het CETA-gerecht kan een maatregel die het in strijdt acht met de overeenkomst niet nietig verklaren, of bevelen dat deze maatregel alsnog in overeenstemming met de overeenkomst wordt gebracht. Wanneer het CETA-gerecht het EU-recht in aanmerking neemt, moet het de uitlegging van het EU-Hof volgen, en kan het niet zelf voorschrijven hoe het EU-recht moet worden uitgelegd. Daarnaast zijn de instanties van het geschillenbeslechtingsmechanisme niet bevoegd om zich uit te spreken over de verdeling van de bevoegdheden tussen de EU en de lidstaten.

De AG merkt ook op dat het geschillenbeslechtingsmechanisme geen afbreuk doet aan de taak die nationale rechterlijke instanties hebben om het EU-recht doeltreffend toe passen. Aangezien de CETA geen rechtstreekse werking heeft, is het niet de taak van de rechters in de lidstaten om de overeenkomst toe te passen. Zij hebben echter wel nog steeds de mogelijkheid om prejudiciële vragen te stellen, die beantwoord zullen worden door het EU-Hof. Volgens de AG veranderen de bevoegdheden van de EU-instellingen en de lidstaten dus niet van karakter. Daarom is de AG van mening dat de regeling voor de beslechting van geschillen volledig past binnen de doelstellingen van het internationale optreden van de Unie.

Ten tweede is de overeenkomst niet in strijd met het algemene beginsel van gelijke behandeling wat de toegang tot het geschillenbeslechtingsmechanisme betreft. De situatie van Canadese investeerders die in de EU investeren is immers niet vergelijkbaar met die van Europese investeerders die in hun eigen economische ruime investeren. Alleen de investeerders die op het grondgebied van de andere partij investeren, bevinden zich in een vergelijkbare situatie.

Ten derde zorgen procedurele waarborgen ervoor dat het recht op toegang tot een onafhankelijk en onpartijdig gerecht (Artikel 47 EU-Handvest) voldoende wordt beschermd. Het mechanisme is namelijk slechts een alternatieve manier van beslechting van de eventuele geschillen over de toepassing van de vrijhandelsovereenkomst, bovenop de andere beroepswegen die de partijen bieden. Daarnaast bevatten de bepalingen van de overeenkomst voldoende strenge regels om te garanderen dat de leden van het CETA-Gerecht onafhankelijk zullen zijn.

Het advies van de AG bindt het EU-Hof niet.

​​​​​​​

Meer informatie: