Contentverzamelaar

Brexit: kennisgeving van terugtrekking uit EU geen reden tenuitvoerlegging EAB te weigeren
Een EAB moet, gelet op het beginsel van wederzijds vertrouwen waarop het kaderbesluit EAB is gebaseerd, in de regel tenuitvoer worden gelegd. Dit kan alleen bij hoge uitzondering worden geweigerd. De kennisgeving om zich terug te trekken uit de EU heeft niet tot gevolg dat de toepassing van het Unierecht in die lidstaat wordt opgeschort. Deze kennisgeving is op zichzelf dus geen uitzonderlijke omstandigheid op grond waarvan de tenuitvoerlegging van een door die lidstaat uitgevaardigd EAB kan worden geweigerd.

Dit heeft het EU-Hof bepaald in zijn arrest van 19 september 2018 in zaak C‑327/18 PPU RO.

In 2016 heeft het Verenigd Koninkrijk twee Europese aanhoudingsbevelen (‘EAB’s’) uitgevaardigd tegen RO om hem te kunnen vervolgen wegens moord, brandstichting en verkrachting. RO is op basis van deze EAB’s aangehouden in Ierland. Sinds 3 februari 2016 wordt hij daar vastgehouden. RO heeft zich verzet tegen zijn overlevering door Ierland aan het VK, met name omdat er vragen rezen over de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie. De High Court vraagt het EU-Hof of hij – gelet op het feit dat het Verenigd Koninkrijk op 29 maart 2017 heeft kennisgegeven van zijn voornemen om zich terug te trekken uit de Unie, en op de onzekerheid over de regelingen die na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van kracht zouden kunnen zijn – verplicht is om de overlevering aan het VK van een persoon tegen wie een EAB is uitgevaardigd, te weigeren hoewel de overlevering normaal gesproken niet zou kunnen worden geweigerd.

Het EU-Hof overweegt dat in het licht van het fundamentele beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten, dat aan het EAB-kaderbesluit ten grondslag ligt, de tenuitvoerlegging van het EAB de regel is en de weigering van de tenuitvoerlegging de uitzondering is, die strikt moet worden uitgelegd. Voorts wijst het Hof erop dat wanneer een lidstaat overeenkomstig artikel 50 VEU kennisgeeft van zijn voornemen om zich uit de Unie terug te trekken, dit niet tot gevolg heeft dat de toepassing van het Unierecht in die lidstaat wordt opgeschort. De bepalingen van het kaderbesluit en de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning die daarvan deel uitmaken, blijven dus onverkort van kracht tot zijn daadwerkelijke terugtrekking uit de Unie. De kennisgeving door een lidstaat van zijn voornemen om zich uit de Unie terug te trekken is op zichzelf dus geen ‘uitzonderlijke’ omstandigheid op grond waarvan de tenuitvoerlegging van een door die lidstaat uitgevaardigd EAB kan worden geweigerd. Dit zou neerkomen op een eenzijdige opschorting van de bepalingen van het kaderbesluit en is in tegenspraak zijn met de bewoordingen van dit besluit. Daaruit blijkt immers dat het aan de Europese Raad staat is om te constateren dat in de uitvaardigende lidstaat de in artikel 2 VEU neergelegde beginselen worden geschonden, om de toepassing van het EAB op te schorten.

De uitvoerende rechterlijke autoriteit moet desalniettemin nog onderzoeken of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de persoon tegen wie dat EAB is uitgevaardigd, na de terugtrekking van de uitvaardigende lidstaat uit de Unie gevaar loopt dat hem zijn grondrechten en de rechten die hij in wezen ontleent aan het kaderbesluit, worden ontnomen. In dit verband benadrukt het EU-Hof dat het VK partij is bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en dat de verdere deelname van deze lidstaat aan dat verdrag niet verbonden is aan zijn lidmaatschap van de Unie. Daarnaast is deze lidstaat eveneens partij bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 en heeft hij in zijn nationale recht andere rechten en verplichtingen opgenomen die thans zijn vervat in het kaderbesluit.

In die omstandigheden kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit aannemen dat de lidstaat die het EAB heeft uitgevaardigd, ook na zijn terugtrekking uit de Unie de essentiële inhoud van de aan het kaderbesluit ontleende rechten die van toepassing zijn op de periode na de overlevering, nog zal toepassen op de over te leveren persoon. De uitvoerende rechterlijke autoriteiten mogen de tenuitvoerlegging van het EAB slechts weigeren indien er tastbare aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Het EU-Hof merkt op dat dergelijke aanwijzingen niet lijken te bestaan, maar dat het aan de verwijzende rechter staat om dit na te gaan.