C-008/22 Commissaire general aux refugies et aux apatrides

Contentverzamelaar

C-008/22 Commissaire general aux refugies et aux apatrides

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    25 februari 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    11 april 2022

Trefwoorden : vluchtelingenstatus, ernstig misdrijf, gevaar voor de samenleving

Onderwerp :

Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming.

Feiten:

Op 23-02-2007 is verzoeker door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen (CGVS/verweerder) als vluchteling erkend. Op 20-12-2010 is hij door het Hof van assisen Brussel veroordeeld tot een gevangenisstraf van 25 jaar. Op 04-05-2016 heeft verweerder zijn vluchtelingenstatus ingetrokken op grond van artikel 55/3/1 van de wet van 15-12-1980. Verzoeker heeft bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RVV) beroep ingesteld, die dit beroep middels het bestreden arrest heeft verworpen. Volgens verzoeker stond het aan het CGVS om voor de RVV aan te tonen dat hij een gevaar voor de samenleving vormde, hetgeen het niet kon doen door louter te verwijzen naar de veroordeling. Evenzo moest de RVV zijn standpunt over de bedreiging die de betrokkene vormt naar behoren motiveren en daarbij rekening houden met alle factoren - een eerdere veroordeling kan niet volstaan of enig vermoeden invoeren dat de justitiabele moet weerleggen om te voorkomen dat zijn status wordt ingetrokken. Het Hof moet derhalve worden gevraagd of artikel 14, lid 4, van richtlijn 2011/95, zowel afzonderlijk beschouwd als gelezen in samenhang met het evenredigheidsbeginsel, zich verzet tegen een nationale praktijk waarbij het gevaar voor de samenleving wordt vermoed op basis van een veroordeling voor een bijzonder zwaar misdrijf, en het aan de veroordeelde vreemdeling staat om aan te tonen dat hij geen gevaar voor de samenleving vormt.

Overweging:

Uit het bestreden arrest blijkt dat het gevaar dat de vreemdeling voor de samenleving vormt, volgens artikel 55/3/1, lid 1, van de wet van 15-12-1980 voortvloeit uit zijn veroordeling wegens een bijzonder ernstig misdrijf. De RVV is evenwel van oordeel dat verzoeker kan aantonen dat hij, ondanks zijn veroordeling, niet of niet langer een gevaar voor de samenleving vormt. In wezen is die rechter van mening dat dit gevaar in beginsel blijkt uit het feit dat verzoeker is veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf, maar dat verzoeker kan bewijzen dat hij niet of niet langer een dergelijk gevaar vormt. Met zijn eerste middel betwist verzoeker deze beoordeling van de RVV. In wezen betoogt hij dat het aan verweerder staat om aan te tonen dat hij een reëel, actueel en voldoende ernstig gevaar voor de samenleving vormt, en niet aan hem zelf, als verzoeker, om aan te tonen dat hij geen of niet langer een dergelijk gevaar vormt. Hij is van mening dat zijn veroordeling voor een bijzonder ernstig misdrijf als zodanig niet kan volstaan om het bestaan van dat gevaar aan te tonen, maar dat moet worden bewezen dat het gevaar nog altijd bestaat en dus actueel is. Hij is van mening dat een evenredigheidstoetsing moest worden verricht om vast te stellen of het gevaar dat hij zou vormen de intrekking van zijn vluchtelingenstatus rechtvaardigt. Artikel 55/3/1 van de wet van 15-12-1980 heeft 14, lid 4, van richtlijn 2011/95 omgezet in nationaal recht. De draagwijdte van dat artikel 55/3/1 moet worden vastgesteld op grond van de draagwijdte van de bepaling van het Unierecht waaraan het uitvoering geeft. De Raad van State acht het dus noodzakelijk om het Hof te vragen welke uitlegging moet worden gegeven aan artikel 14, lid 4, van richtlijn 2011/95 teneinde vast te stellen of verzoekers kritiek gegrond is.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 14, [lid 4, onder] b), van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming, aldus worden uitgelegd dat het feit dat een persoon die de vluchtelingenstatus heeft verkregen, voor een bijzonder ernstig misdrijf is veroordeeld, reeds aantoont dat hij een bedreiging voor de samenleving vormt, of dat de definitieve veroordeling voor een bijzonder ernstig misdrijf op zichzelf beschouwd niet volstaat om aan te tonen dat er sprake is van een bedreiging voor de samenleving?

2. Indien de definitieve veroordeling voor een bijzonder ernstig misdrijf als zodanig niet volstaat om aan te tonen dat er sprake is van een bedreiging voor de samenleving, moet artikel 14, [lid 4, onder] b), van richtlijn 2011/95/EU dan aldus worden uitgelegd dat de lidstaat moet aantonen dat de verzoeker sinds zijn veroordeling een bedreiging voor de samenleving blijft vormen? Moet de lidstaat vaststellen dat deze bedreiging reëel en actueel is of volstaat een potentiële bedreiging? Moet artikel 14, [lid 4, onder] b), van richtlijn 2011/95/EU, afzonderlijk beschouwd of gelezen in samenhang met het evenredigheidsbeginsel, aldus worden uitgelegd dat de vluchtelingenstatus enkel kan worden ingetrokken indien dat evenredig is en de bedreiging die de begunstigde van deze status vormt voldoende ernstig is om intrekking te rechtvaardigen?

3. Indien de lidstaat niet hoeft aan te tonen dat de verzoeker sinds zijn veroordeling nog steeds een bedreiging voor de samenleving vormt en dat deze bedreiging reëel, actueel en voldoende ernstig is om intrekking van de vluchtelingenstatus te rechtvaardigen, moet artikel 14, [lid 4,] onder b), van richtlijn 2011/95/EU dan aldus worden uitgelegd dat de bedreiging voor de samenleving in beginsel wordt aangetoond door het feit dat de begunstigde van de vluchtelingenstatus definitief is veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf, maar dat de betrokkene kan aantonen dat hij niet of niet langer een bedreiging

vormt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Zh en O (C-554/13), B en D (C-57/09 en C-101/09)

Specifiek beleidsterrein: JenV-DMB