C-012/22 365.bank 

Contentverzamelaar

C-012/22 365.bank 

Prejudiciële hofzaak    

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    25 februari 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    11 april 2022

Trefwoorden : consumentenbescherming, kredietovereenkomst, verjaring

Onderwerp :

-           Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad

-           Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten

Feiten:

Op 21-12-2016 heeft verzoeker met verweerster een consumentenkredietovereenkomst gesloten krachtens welke hem een krediet ten bedrage van 5 000,00 EUR is toegekend. Dit krediet moest worden terugbetaald in 96 maandelijkse termijnen, met 25-12-2024 als uiterste aflossingsdatum. Verzoeker voert aan dat de kredietovereenkomst niet de vereiste onderdelen bevat die worden voorgeschreven door wet nr. 129/2010 en richtlijn 2008/48. Hij voert aan dat de volgende onderdelen van de overeenkomst onvoldoende worden gespecificeerd: het soort krediet, de duur van de kredietovereenkomst, de vermelding van de bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage (JKP) gebruikte hypothesen volstaat niet. Verzoeker wijst erop dat de Slowaakse wet op het consumentenkrediet, anders dan de richtlijn, niet alleen een vermelding van de uiterste aflossingsdatum maar tevens een vermelding van de duur van de overeenkomst vereist. Voorts beroept verzoeker zich op een uitspraak van de Krajský súd (rechter in tweede aanleg, Slowakije), volgens welke het bij de vermelding van het JKP niet volstaat om het enkele bedrag ervan te vermelden, maar dat tevens alle bij de berekening ervan gebruikte hypothesen moeten worden vermeld. Volgens verzoeker heeft het ontbreken van verplichte gegevens tot gevolg dat de kredietovereenkomst rentevrij en kosteloos is en dat de verjaringstermijn begint te lopen vanaf het tijdstip waarop de rechter het krediet rentevrij en kosteloos heeft verklaard.

Overweging:

De nationale rechter is van oordeel dat de Slowaakse wet op het consumentenkrediet de richtlijn niet correct heeft omgezet met betrekking tot de duur van de overeenkomst en dat deze wet leveranciers heeft verplicht om bij de sluiting van een overeenkomst die naderhand voorwerp van betwisting wordt een bijkomend element aan deze overeenkomst toe te voegen. De nationale rechter moet tevens uitspraak doen over de geldigheid van de verjaringstermijn. Volgens deze rechter is het in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel dat de verjaringstermijn van een vordering tot terugbetaling wegens ongerechtvaardigde verrijking uit hoofde van een oneerlijk contractueel beding begint te lopen voordat de rechter zich over dit beding heeft uitgesproken. Anderzijds betwijfelt de rechter of dezelfde conclusie moet worden getrokken wanneer een overeenkomst verstoken is van een van de wettelijk verplichte elementen of wanneer dit element op onjuiste wijze in de overeenkomst is opgenomen. Volgens de nationale rechter is er, wat de aanvang van de verjaringstermijn betreft, in het geval van een vordering tot betaling wegens ongerechtvaardigde verrijking geen verschil tussen een vordering die voortvloeit uit een consumentenverhouding en een vordering die voortvloeit uit andere rechtsbetrekkingen, behalve dan dat de nationale wetgeving bij die andere betrekkingen niet bepaalt dat de verjaringstermijn pas begint te lopen wanneer de rechter de rechtsgrondslag van dergelijke vorderingen heeft vastgesteld. De nationale rechter is het niet eens met het juridische betoog van verzoeker en stemt in met het betoog van verweerster, maar heeft in het licht van de rechtspraak van de Krajský súd beslist om uitlegging van de richtlijnen 2008/48/EG en 93/13/EEG en van de arresten van het Hof te verzoeken.

Prejudiciële vragen:

1. Komen de, in de onderhavige beslissing aangehaalde, gegevens die zijn opgenomen in de consumentenkredietovereenkomst van 21 december 2016 neer op de duidelijke en beknopte vermelding van het soort krediet als vereist door artikel 10, lid 2, onder a), van richtlijn 2008/48/EG?

2. Komen de, in de onderhavige beslissing aangehaalde, gegevens die zijn opgenomen in de consumentenkredietovereenkomst van 21 december 2016 neer op de duidelijke en beknopte vermelding van de duur van de kredietovereenkomst als vereist door artikel 10, lid 2, onder c), van richtlijn 2008/48/EG?

3. Komen de, in de onderhavige beslissing aangehaalde, gegevens die zijn opgenomen in de consumentenkredietovereenkomst van 21 december 2016 neer op de duidelijke en beknopte vermelding van het soort krediet als vereist door artikel 10, lid 2, onder g), van richtlijn 2008/48/EG, en

– moet een consumentenkredietovereenkomst melding maken van de wiskundige formule voor de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage (JKP), vergezeld van de onderliggende variabelen, alsmede van de berekening zelf,

– volstaat het dat een consumentenkredietovereenkomst de variabelen vermeldt die nodig zijn voor de berekening van het JKP, of moeten deze variabelen nog een keer worden vermeld met de uitdrukkelijke indicatie dat dit bij de berekening van het JKP gebruikte hypothesen zijn?

4. Kan richtlijn 93/13/EEG aldus worden uitgelegd dat deze richtlijn vereist dat de nationale wetgeving of een nationale praktijk een rechterlijke instantie verplicht om een contractueel beding ook als oneerlijk te beschouwen wanneer de contractuele verhouding reeds is beëindigd, zoals in de onderhavige zaak het geval is?

5. Verzet de gehele richtlijn 93/13/EEG van de Raad, en met name de vijfde overweging daarvan (volgens welke over het algemeen de consument de rechtsregels niet kent die in andere lidstaten dan het land waarin hij woont, gelden voor overeenkomsten voor de verkoop van goederen of het aanbieden van diensten en dit gebrek aan kennis hem van rechtstreekse transacties van aankoop van goederen of betreffende dienstverrichtingen in een andere lidstaat kan afhouden) zich tegen een rechterlijke praktijk waarbij in het geval waarin wordt gesteld dat er een verplicht onderdeel van een consumentenkredietovereenkomst ontbreekt, wordt verondersteld dat de consument daarvan reeds bij de ondertekening van de kredietovereenkomst op de hoogte was, met name wanneer hij afzonderlijk heeft bevestigd dat hij de overeenkomst heeft gelezen doordat hij de overige bijbehorende kredietdocumenten (zoals het formulier met standaardinformatie inzake consumentenkrediet, de lijst van ontvangen documenten, enzovoort) heeft ondertekend?

6. Staan de beginselen van consumentenbescherming en doeltreffendheid eraan in de weg dat het nationale recht voor het indienen van vorderingen tot terugbetaling wegens de ongerechtvaardigde verrijking door een leverancier ten koste van een consument een subjectieve en een objectieve verjaringstermijn vaststelt, die is gebaseerd op een neutraal criterium (het optreden van de ongerechtvaardigde verrijking), zodat de vaststelling van het tijdstip van aanvang van de verjaringstermijn niet uitsluitend aan het oordeel van de consument wordt overgelaten, maar de leverancier derhalve niet over de reële mogelijkheid beschikt om zich te verweren met een beroep op verjaring?

7. Is het verenigbaar met de beginselen van consumentenbescherming en doeltreffendheid dat ieder gebrek in een door een leverancier opgestelde consumentenkredietovereenkomst onvoorwaardelijk wordt beschouwd als het gevolg van een opzettelijke gedraging van de leverancier?

8. Moet het doeltreffendheidsbeginsel in de hierna aangehaalde arresten van het Hof aldus worden uitgelegd dat een verjaringstermijn in verband met ongerechtvaardigde verrijking die is opgetreden wegens het rentevrije en kosteloze karakter van een krediet als gevolg van een gebrek, pas hoort in te gaan op het tijdstip waarop de rechter uitspraak doet over dit gebrek (bijvoorbeeld door het krediet rentevrij en kosteloos te verklaren)?

9. Vanaf welk tijdstip gaat de verjaringstermijn in volgens het doeltreffendheidsbeginsel dat in de hieronder aangehaalde arresten van het Hof is toegepast?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Profi Credit Slovakia (C-485/19),Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria (C-224/19 en 259/19), BNP Paribas Personal Finance (C-776/19 en C-782/19),

Specifiek beleidsterrein: EZK