C-026/13 Kásler et Káslerné Rábai

Contentverzamelaar

C-026/13 Kásler et Káslerné Rábai
Prejudiciële Hofzaak C-026/13 Kásler et Káslerné Rábai
 

Zie bijlage rechts voor  verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:  22 maart 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:  8 april 2013
Schriftelijke opmerkingen:                  8 mei 2013
Trefwoorden: consumentenbescherming

Onderwerp: Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten

Verzoekers sluiten een hypotheekleningsovereenkomst voor 25 jaar op een onroerende zaak met OTP Jezálogbank (verweerster) voor een bedrag van CHF 94.240,84 (de tegenwaarde van HUF 14.400.000). Het bedrag wordt aan aanvragers in HUF ter beschikking gesteld; de rente, aflossing en overige dossierkosten (boetes e.d.) moeten in HUF betaald worden maar worden in CHF geadministreerd. Hierbij maakt de bank gebruik van de verkoopkoers van de CHF.
Verzoekers wenden zich per verzoekschrift tot de rechter omdat zij met name de berekeningswijze van de aflossing oneerlijk vinden waardoor de bank op ongerechtvaardigde wijze begunstigd wordt.
De aangezochte rechter verklaart de overeenkomst geldig maar acht de clausule over de gehanteerde administratiekoers oneerlijk, en draagt de bank op in het vervolg de aankoopkoers van de CHF te hanteren. Tegen dat oordeel gaat de bank in beroep. De rechter bevestigt de door de rechter in eerste instantie geconstateerde oneerlijkheid, en oordeelt dat geen sprake is van een valutatransactie omdat verzoekers nooit een CHF in handen gehad hebben. De bank mag dan ook geen verschillende wisselkoersen hanteren.
De bank gaat in cassatieberoep. Zij beroept zich op het HON BW waaruit zij meende te mogen concluderen dat op moment van sluiten van de overeenkomst de richtlijn niet van toepassing was. Zij heeft die kennis gebruikt om extra inkomsten te verwerven. Zij stelt dat het beding over het verschil tussen de wisselkoersen niet in strijd is met wettelijke voorschriften, dan wel niet oneerlijk is.

De verwijzende HON rechter heeft nadere uitleg over artikel 4 lid 2 van RL 93/13 nodig. Hij legt het Hof de volgende vragen voor:
1) Moet artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: „richtlijn”) aldus worden uitgelegd dat, in het geval van een schuld uit een in een vreemde valuta uitgedrukte lening die in feite echter in de nationale valuta wordt uitbetaald en door de consument uitsluitend in de nationale valuta moet worden afgelost, een contractueel beding betreffende de wisselkoers van de vreemde valuta waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, deel kan uitmaken van „de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst”?
Zo niet, moet dan op basis van artikel 4, lid 2, tweede tussenzin, van de richtlijn het verschil tussen de aankoopkoers en de verkoopkoers worden geacht een vergoeding te vormen waarvan de gelijkwaardigheid met de verrichte dienst niet kan worden onderzocht om het oneerlijke karakter ervan te toetsen? Is het in dit verband van belang of er tussen de financiële instelling en de consument werkelijk vreemde valuta zijn gewisseld?
2) Indien artikel 4, lid 2, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de nationale rechter, onverminderd zijn nationale recht, ook kan toetsen of de in dat artikel bedoelde contractuele bedingen oneerlijk zijn, mits die bedingen niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd, moet dit laatste vereiste dan aldus worden verstaan dat de contractuele bedingen op zich voor de consument grammaticaal duidelijk en begrijpelijk moeten zijn, of moeten bovendien de economische redenen voor het gebruik van het contractuele beding en het verband van het beding met de overige contractuele bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn?
3) Moeten artikel 6, lid 1, van de richtlijn en punt 73 van het arrest van het Hof in de zaak Banco Español de Crédito (C-618/10) aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter [de gronden] voor ongeldigheid van een oneerlijk beding in de algemene voorwaarden van een leningsovereenkomst met een consument niet kan wegnemen in het voordeel van de consument door het betrokken contractuele beding te wijzigen en de overeenkomst aan te vullen, zelfs niet indien anders, indien dat beding wordt weggelaten, de overeenkomst niet kan worden uitgevoerd op basis van de overige contractuele bedingen? Is het daartoe van belang dat naar nationaal recht een suppletiefrechtelijk voorschrift bestaat dat, indien het ongeldige beding wordt weggelaten, de betrokken rechtsvraag [in de plaats van dat beding] regelt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-484/08 Caja de Ahorros; C-76/10 Pohotovost; C-472/10 Invitel; C-618/10 Banco Espanol;
Specifiek beleidsterrein: VenJ
Mede EZ

Gerelateerde documenten