C-040/20 Presidenza del Consiglio dei Ministri e.a.

Contentverzamelaar

Terug C-040/20 Presidenza del Consiglio dei Ministri e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     4 mei 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     20 juni 2020

Trefwoorden : arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, stabilisatie onzekere arbeidsomstandigheden, objectieve redenen

Onderwerp :

•          Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999, betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, in het bijzonder clausule 5 en clausule 4 van de erin opgenomen raamovereenkomst;

•          Aanbeveling van de Commissie van 11 maart 2005 betreffende het Europese Handvest voor Onderzoekers en betreffende een Gedragscode voor de Rekrutering van Onderzoekers (2005/251/EG).

 

Feiten:

Appellanten zijn sinds meerdere jaren onderzoekers met een overeenkomst voor bepaalde tijd aan de universiteit van Perugia. Op grond van een nationale regeling uit 2017 kunnen overheidsorganen onder bepaalde voorwaarden in de periode van 2018-2020 personeel voor onbepaalde tijd aanstellen, om op die manier de onzekere arbeidsomstandigheden in overheidsdienst te stabiliseren. Overeenkomstig deze regeling hebben appellanten de universiteit verzocht om wervingsprocedures te organiseren met het oog op hun aanstelling voor onbepaalde tijd. De universiteit heeft deze verzoeken afgewezen met het argument dat de nationale regeling op geen enkele wijze de vroegere regeling inzake de arbeidsovereenkomsten van hoogleraren en academische onderzoekers had gewijzigd. Appellanten zijn hiertegen in beroep gegaan. De rechter in eerste aanleg heeft de beroepen verworpen. Appellanten hebben daarop hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Appellanten voeren aan dat indien de nationale regeling academische onderzoekers met overeenkomsten voor bepaalde tijd uitsluit, de regeling in strijd is met o.a. de in richtlijn 1999/70/EG opgenomen raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. De raamovereenkomst heeft tot doel misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd te voorkomen.

 

Overweging:

De verwijzende rechter wijst er om te beginnen op dat uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat indien niet kan worden aangetoond dat er objectieve redenen zijn die het opeenvolgende gebruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd rechtvaardigen, dit in het kader van de in richtlijn 1999/70/EG opgenomen raamovereenkomst wijst op misbruik van het gebruik van dergelijke onzekere arbeidsvormen. De verwijzende rechter merkt niettemin op dat het feit dat de inhoud en de duur van de wetenschappelijke onderzoeksactiviteiten aan de universiteiten niet te voorspellen zijn, een objectieve reden vormt die het tijdelijke karakter van de arbeidsverhoudingen van academische onderzoekers rechtvaardigt. Gelet op de bijzondere aard van de arbeidsverhoudingen tussen universiteiten en onderzoekers, kan de raamovereenkomst volgens de verwijzende rechter niet rechtstreeks en automatisch worden toegepast op de enkele grond dat opeenvolgende arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd worden gebruikt of de maximumtermijn onnodig wordt overschreden, omdat een dergelijke oplossing de autonomie van de universiteiten zou aantasten. Desalniettemin is de verwijzende rechter zich ervan bewust dat een nationale bepaling waarbij in het algemeen en op abstracte wijze de mogelijkheid wordt gecreëerd om gebruik te maken van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, niet zou voldoen aan de objectieve redenen die ter rechtvaardiging van dergelijke overeenkomsten zijn vereist, en in hoge mate discriminerend zou zijn. De verwijzende rechter vraagt zich evenwel af of het universitair stelsel op zich, met het oog op het behoud van de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek en functionele autonomie, al niet de objectieve redenen behelst die de vernieuwingen van arbeidsovereenkomsten van onderzoekers rechtvaardigen, gelet op de bijzondere aard van universitaire wetgeving en onderzoek.

 

Prejudiciële vragen:

1) Verzet clausule 5 van de in richtlijn 1999/70/EG opgenomen raamovereenkomst (richtlijn van de Raad betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd; hierna: „richtlijn”), met het opschrift „Maatregelen ter voorkoming van misbruik”, gelezen in samenhang met de overwegingen 6 en 7, en met clausule 4 van de raamovereenkomst („Non-discriminatiebeginsel”), mede gelet op de beginselen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en nuttig effect van het recht [van de Europese Unie], zich tegen een nationale regeling, in casu artikel 24, lid 3, onder a), en artikel 22, lid 9, van wet nr. 240/2010, op grond waarvan universiteiten zonder enige kwantitatieve beperking onderzoekers mogen aanstellen bij overeenkomst voor bepaalde tijd van drie jaar, welke voor twee jaar kan worden verlengd, zonder dat voor de sluiting en de verlenging van deze overeenkomsten als voorwaarde wordt gesteld dat er een objectieve reden bestaat die verband houdt met tijdelijke of uitzonderlijke behoeften van de instelling die deze overeenkomsten gebruikt, en waarin als enige beperking op het gebruik van meerdere arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd met dezelfde persoon is vastgesteld dat de totale duur, al dan niet aaneensluitend, ten hoogste twaalf jaar mag bedragen?

2) Verzet voornoemde clausule 5 van de raamovereenkomst, gelezen in samenhang met de overwegingen 6 en 7 van de richtlijn en voornoemde clausule 4 van de raamovereenkomst, mede gelet op het nuttige effect van het recht [van de Europese Unie], zich tegen een nationale regeling (in casu, artikel 24 en artikel 29, lid 1, van wet nr. 240/2010) op grond waarvan universiteiten exclusief onderzoekers voor bepaalde tijd in dienst mogen nemen, zonder dat besluit aan een voorwaarde van tijdelijke of uitzonderlijke behoeften te koppelen en zonder enige beperking, door middel van een potentieel oneindige opeenvolging van overeenkomsten voor bepaalde tijd, om de gewone onderwijs- en onderzoeksbehoeften van die instellingen te dekken?

3) Verzet clausule 4 van voornoemde raamovereenkomst zich tegen een nationale regeling als die van artikel 20, lid 1, van wetsbesluit nr. 75/2017 (zoals is uitgelegd in voornoemde ministeriële circulaire nr. 3/2017), op grond waarvan onderzoekers van openbare onderzoeksinstellingen met overeenkomsten voor bepaalde tijd in vaste dienst kunnen worden genomen – mits zij op 31 december 2017 ten minste drie jaar in dienst waren – terwijl dit niet geldt voor academische onderzoekers met overeenkomsten voor bepaalde tijd, louter omdat op hun arbeidsverhouding volgens artikel 22, lid 16, van wetsbesluit nr. 75/2017, hoewel zij wettelijk gezien is gebaseerd op een arbeidsovereenkomst, het „bestuursrecht” van toepassing is, niettegenstaande het feit dat volgens artikel 22, lid 9, van wet nr. 240/2010 voor onderzoekers bij onderzoeksinstellingen en academische onderzoekers dezelfde maximumduur geldt voor arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, in de vorm van overeenkomsten zoals bedoeld in artikel 24 of van onderzoeksopdrachten zoals bedoeld in voornoemd artikel 22, met de universiteiten en de onderzoeksinstellingen?

4) Verzetten de beginselen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en het nuttige effect van het Unierecht ten aanzien van voornoemde raamovereenkomst, alsook het in clausule 4 ervan vervatte non-discriminatiebeginsel zich tegen een nationale regeling (artikel 24, lid 3, onder a), van wet nr. 240/2010 en artikel 29, lid 2, onder d), en lid 4, van wetsbesluit nr. 81/2015) op grond waarvan universiteiten – zelfs wanneer er een regeling is die van toepassing is op alle werknemers in de openbare en particuliere sector, die laatstelijk is opgenomen in dat besluit nr. 81, die (vanaf 2018) de maximumduur van een arbeidsverhouding voor bepaalde tijd vaststelt op 24 maanden (met inbegrip van verlengingen en hernieuwingen) en die dergelijke verhoudingen in overheidsdienst afhankelijk stelt van het bestaan van „tijdelijke en uitzonderlijke behoeften” – onderzoekers in dienst mogen nemen met een driejarige overeenkomst voor bepaalde tijd die met twee jaar kan worden verlengd bij een positieve evaluatie van de tijdens die drie jaar verrichte onderzoeks- en onderwijsactiviteiten, zonder dat er voor de sluiting of verlenging van de eerste overeenkomst tijdelijke of uitzonderlijke behoeften moeten bestaan in de instelling, en zij eveneens, na afloop van die vijf jaar, met dezelfde of andere personen nog een gelijksoortige overeenkomst voor bepaalde tijd mogen sluiten, om tegemoet te komen aan dezelfde onderwijs- en onderzoeksbehoeften als bij de vorige overeenkomst?

5) Verzet clausule 5 van voornoemde raamovereenkomst, mede gelet op de beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid en op voornoemde clausule 4, zich ertegen dat een nationale regeling (artikel 29, lid 2, onder d), en lid 4, van wetsbesluit nr. 81/2015 en artikel 36, leden 2 en 5, van wetsbesluit nr. 165/2001) academische onderzoekers die zijn aangesteld bij overeenkomst voor bepaalde duur van drie jaar, welke voor twee jaar kan worden verlengd (overeenkomstig voornoemd artikel 24, lid 3, onder a), van wet nr. 240/2010), uitsluit van de mogelijkheid om de overeenkomst vervolgens om te zetten in een overeenkomst voor onbepaalde tijd, terwijl het nationale recht niet voorziet in andere doeltreffende maatregelen ter voorkoming en bestraffing van het misbruik van opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde duur door de universiteiten?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-586/10), (C-22/13), (C-331/17), (C-614/15), (C-3/10)

Specifiek beleidsterrein: SZW