C-047/13 Grund

Contentverzamelaar

C-047/13 Grund
Prejudiciële Hofzaak C-47/13 Grund

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:  14 maart 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:  28 maart 2013
Schriftelijke opmerkingen:                  28 april 2013
Trefwoorden: landbouw; subsidies

Onderwerp:
- Verordening (EG) nr. 239/2005 van de Commissie van 11 februari 2005 tot wijziging en rectificatie van Verordening (EG) nr. 796/2004 van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeen-schappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (Pb L 42 van 12.2.2005, blz. 3–9 ).

Verzoeker is landbouwer. Jaarlijks dient hij een aanvraag voor subsidie (bedrijfstoeslag) in. In 1998 en 1999 geeft hij twee percelen grond op die hij wil gebruiken om gras voor bouwland te telen. In 2005 wijzigt dat in klavergras. Dit gaat zo jaren door, 2005 t/m 2008, in 2009 wordt het weer gras voor bouwland. Vanaf 2010 verpacht hij één perceel, op het andere wordt kuilmaïs geteeld.
De landbouworganisatie die de bedrijfstoeslagen verzorgt (verweerster) stelt zich op het standpunt dat bouwland waarop gras is ingezaaid dat regelmatig wordt omgeploegd moet worden gelijkgesteld met natuurlijk blijvend grasland. Omdat meer dan vijf jaar gras voor bouwland is geteeld blijft er sprake van grasland, ondanks dat klavergras is ingeteeld.
Verzoeker is het daar niet mee eens, maar wordt door de administratieve rechter in het ongelijk gesteld: volgens een verordening van het Land Schleswig-Holstein gaat de eenmaal verworven status van blijvend grasland niet teloor door een vruchtwisseling van verschillende kruidachtige voedergewassen.
Ook in hoger beroep wordt dit oordeel bevestigd. Verzoeker vraagt dan herziening aan.

De verwijzende DUI rechter vraagt zich af of de opeenvolging van verscdhillende kruidachtige voedergewassen wel onder vruchtwisseling in de zin van Vo. 796/2004 valt. Hij stelt het Hof de volgende vraag:
Is een stuk landbouwgrond dat thans en sinds ten minste vijf jaar wordt gebruikt voor de teelt van grassen of andere kruidachtige voedergewassen, maar tijdens die periode is omgeploegd en ingezaaid met een ander kruidachtig voedergewas (in casu gras dat bedoeld is voor inzaai op bouwland) in plaats van het tot dusver geteelde kruidachtige voedergewas (in casu klavergras), blijvend grasland in de zin van artikel 2, punt 2, van [verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004] of is er in dat geval sprake van vruchtwisseling, die het ontstaan van blijvend grasland uitsluit?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:  C-127/04 O Byrne; C-189/08 Zuid-Chemie
Specifiek beleidsterrein: EZ

Gerelateerde documenten