C-060/20 Latvijas dzelzceļš

Contentverzamelaar

C-060/20 Latvijas dzelzceļš

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    5 mei 2020
Schriftelijke opmerkingen:                    21 juni 2020

Trefwoorden : spoorwegen, huurovereenkomst, zelfvoorziening van diensten, dienstvoorziening, exploitant

Onderwerp :

•          Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte

•          Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2177 van de Commissie van 22 november 2017 betreffende de toegang tot dienstvoorzieningen en spoorgebonden diensten

 

Feiten:

Appellante, VAS „Latvijas Dzelzceļš”, verhuurt het depot voor locomotieven in Letland waarvan zij eigenaar is, sinds 2002 aan een derde, AS „Baltijas Ekspresis. Op 20-06-2016 heeft appellante de huurovereenkomst met AS „Baltijas Ekspresis” betreffende het zakelijk onroerend goed bestaande uit het depot in Ventspils en de bijbehorende terreingedeelten verlengd. In 2017 had appellante, in haar hoedanigheid van beheerder van de openbare spoorweginfrastructuur, de installaties nodig voor haar eigen behoeften. Om die reden deed zij AS „Baltijas Ekspresis” bij brief van 05-09-2017 mededeling van de opzegging van de huurovereenkomst. Op 18-09-2017 diende AS „Baltijas Ekspresis” bij de toezichthoudende instantie een klacht in wegens schending van de mededinging en discriminatie. Volgens die klacht had de discretionaire bevoegdheid van appellante geleid tot discriminatie van AS „Baltijas Ekspresis” als vervoersonderneming en exploitant van een dienstvoorziening doordat zij de efficiënte en rationele werking van en de toegang tot de dienstvoorziening had belemmerd. De toezichthoudende instantie heeft appellante vervolgens bij besluit van 05-12-2017 (litigieus besluit) gelast om de toegang tot het depot in Ventspils, als dienstvoorziening te waarborgen. Appellante heeft bij de Letse bestuursrechter in eerste aanleg beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld. In het verzoekschrift werd erop gewezen dat AS „Baltijas Ekspresis” het depot in Ventspils niet had gehuurd als dienstvoorziening en ook niet ingeschreven stond als exploitant van een dienstvoorziening. Betoogd werd dat de toezichthoudende instantie de begrippen „dienstvoorziening” en „zelfvoorziening van diensten” verkeerd had uitgelegd en artikel 12.2, leden 7 en 8, van de spoorwegwet onjuist had toegepast. Volgens appellante omvat het begrip „dienstvoorziening”, in de zin van richtlijn 2012/34/EU, plaatsen waar diensten ten behoeve van meerdere spoorwegondernemingen worden verricht. Niet iedere plaats waar bepaalde economische activiteiten worden verricht, kan worden aangemerkt als dienstvoorziening. Dit beroep werd door de bestuursrechter in eerste aanleg verworpen. In zijn vonnis verklaarde deze rechter dat appellante moest worden beschouwd als een exploitant van een dienstvoorziening, aangezien zij verantwoordelijk was voor het beheer ervan. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Zij voert aan dat de rechter in eerste aanleg ten onrechte heeft geoordeeld dat de eigenaar van het onroerend goed tevens de exploitant van het net is. In het kader van het hoger beroep heeft zij de rechter verzocht om vragen te stellen over de wijze waarop de begrippen „dienstvoorziening”, „exploitant van een dienstvoorziening” en „zelfvoorziening van diensten”, zoals gedefinieerd in richtlijn 2012/34, moeten worden begrepen.

 

Overweging:

Naar het oordeel van de verwijzende rechter bevestigen de feitelijke omstandigheden van het geding dat appellante niet kan worden beschouwd als exploitant van de dienstvoorziening, aangezien zij niet verantwoordelijk is voor het verstrekken van informatie of de behandeling van verzoeken om toegang tot de diensten die in het depot in Ventspils worden verricht. Volgens de verwijzende rechter blijkt ook uit de systematische uitlegging van de regeling niet dat de eigenaar van het onroerend goed in casu een verplichting wordt opgelegd om toegang tot de diensten te verlenen. Richtlijn 2012/34 heeft primair tot doel om niet-discriminerende toegang tot de diensten te waarborgen. Toegang tot de diensten impliceert niet dat er tegen de wil van de eigenaar controle over een infrastructuur kan worden uitgeoefend. Bovendien moet rekening worden gehouden met het feit dat de gedwongen overdracht van de controle over een infrastructuur aan een andere persoon de rechten van de eigenaar van de infrastructuur in sterkere mate beperkt dan een situatie waarin toegang tot de in de dienstvoorziening verrichte diensten moet worden verleend. Bijgevolg kunnen de regels inzake de toegang tot de diensten niet naar analogie worden toegepast op een gedwongen huurbetrekking. Gelet op een en ander dient het Hof te worden gevraagd of artikel 13, leden 2 en 5, van richtlijn 2012/34 en artikel 15, leden 5 en 6, van verordening 2017/2177 de toezichthoudende instantie toestaan om, in de situatie in casu, de eigenaar van een onroerend goed die niet verantwoordelijk is voor de verrichting van diensten in een voorziening te verplichten om toegang tot die diensten te verlenen. In het onderzoek van de zaak moet tevens belang worden gehecht aan de rechtmatigheid van de opzegging van de huurovereenkomst die aan het geding ten grondslag ligt. Bijgevolg moet aan het Hof worden gevraagd of artikel 13, lid 6, van richtlijn 2012/34 en artikel 15, leden 5 en 6, van verordening 2017/2177 aldus moeten worden uitgelegd dat deze bepalingen de eigenaar van een onroerend goed toestaan om de huurbetrekking te beëindigen en een dienstvoorziening een nieuwe bestemming te geven wanneer hij dat onroerend goed nodig heeft in het kader van zijn economische activiteit.

 

Prejudiciële vragen:

1) Kan artikel 13, leden 2 en 6, van richtlijn 2012/34 (artikel 15, leden 5 en 6, van verordening  2017/2177) aldus worden uitgelegd dat de toezichthoudende instantie aan de eigenaar van een infrastructuur die niet de exploitant van de dienstvoorziening is de verplichting kan opleggen om toegang tot de diensten te garanderen?

2) Moet artikel 13, lid 6, van richtlijn 2012/34 (artikel 15, leden 5 en 6, van verordening 2017/2177) aldus worden uitgelegd dat het de eigenaar van een gebouw toestaat om een huurbetrekking te beëindigen en een dienstvoorziening te onderwerpen aan een herbestemmingsproces?

3) Moet artikel 13, lid 6, van richtlijn 2012/34 (artikel 15, leden 5 en 6, van verordening 2017/2177) aldus worden uitgelegd dat het de toezichthoudende instantie enkel verplicht om na te gaan of de exploitant van de dienstvoorziening (in casu de eigenaar ervan) daadwerkelijk heeft besloten tot een herbestemming van die voorziening?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: IenW