C-075/20 Lifosa

Contentverzamelaar

Terug C-075/20 Lifosa

Prejudiciële hofzaa k

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     6 mei 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     22 juni 2020

Trefwoorden : kosten van vervoer, douanewaarde, goederen

Onderwerp :

•          Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek

•          Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie

 

Feiten:

Verzoekster is een in Litouwen gevestigde naamloze vennootschap die onder meer meststoffen produceert. Tussen januari 2014 en oktober 2016 heeft verzoekster verscheidene hoeveelheden technisch zwavelzuur, geproduceerd door de Belarussische onderneming ‘Naftan’ (producent) aangekocht bij de besloten vennootschap ‘Transschema’. Voor elke aankoop werd een aanvullende overeenkomst afgesproken waarin o.a. werd bepaald dat de levering zou plaatsvinden volgens een van de door de Internationale Kamer van Koophandel opgestelde internationale handelsvoorwaarden. Dit betekende onder meer dat de verkoper alle kosten van het vervoer van de goederen naar de plaats van bestemming betaalt. De douanewaarden van de ingevoerde goederen die verzoekster in haar aangiften had opgegeven kwam overeen met de door haar werkelijk betaalde bedragen. Het douanekantoor in Kaunas heeft op 09-02-2017 echter vastgesteld dat de douanewaarden moesten worden aangepast om de kosten van vervoer van de betrokken goederen buiten het douanegebied van de EU in de douanewaarde op te nemen, omdat de aangegeven douanewaarde lager was dan de werkelijke vervoerskosten die de producent had gemaakt om deze goederen te vervoeren Dienovereenkomstig werd verzoeker een naheffing opgelegd van € 25.876,- aan douanerechten, € 412,- aan vertragingsrente, € 187.152,- aan belasting over toegevoegde waarde bij invoer en € 42.598,- euro aan vertragingsrente over deze belasting, alsmede een boete van € 42.598,-. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar ingediend bij de douanedienst. Zij hebben de vastgestelde bedragen van naheffing bevestigd. Verzoekster heeft beroep ingesteld bij de bestuursrechter in eerste aanleg, waar haar beroep ongegrond is verklaard. Daarop heeft verzoekster hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

 

Overweging:

De vraag is welke uitlegging moet worden gegeven aan artikel 29, lid 1, en artikel 32, lid 1 , onder e, sub i van verordening 2913/92 en artikel 70 lid 1, onder e, i van verordening 952/2013. Meer specifiek rijst de vraag of deze bepalingen aldus moeten worden uitgelegd dat de transactiewaarde moet worden aangepast om daarin alle kosten op te nemen die door de producent daadwerkelijk zijn gemaakt voor het vervoer van de goederen naar de plaats van binnenkomst terwijl de verplichting om deze kosten te dragen niet op de koper, maar op de producent rustte. Het begrip ‘kosten van vervoer’ in artikel 32, lid 1, sub e, onder i, is een autonoom begrip dat ruim moet worden uitgelegd. Het beslissende criterium waaraan voldaan moet zijn om van ‘kosten van vervoer’ te kunnen spreken is dat zij verband moet houden met de overbrenging van goederen naar het douanegebied van de EU, ongeacht of die kosten inherent zijn aan of noodzakelijk voor de feitelijke vervoer van die goederen. Deze beoordeling wordt volgens de verwijzende rechter ondersteund door de bovenstaand aangehaalde bepalingen van de verordeningen, volgens welke de vervoerskosten dienen te worden opgenomen in de douanewaarde van de goederen wanneer het vervoer kosteloos plaatsvindt. Er moet namelijk volgens de verwijzende rechter worden aangenomen dat het feit of de goederen kosteloos naar de koper (importeur) worden vervoerd, dan wel dat de koper niet bijdraagt in de kosten van het vervoer van goederen, niet anders mag worden behandeld ten aanzien van de vaststelling van de douanewaarde.

 

Prejudiciële vraag:

Moeten artikel 29, lid 1, en artikel 32, lid 1, onder e), i), van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek en artikel 70, lid 1, en artikel 71, lid 1, onder e), i), van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie aldus worden uitgelegd dat de transactiewaarde (douanewaarde) moet worden aangepast om daarin alle kosten op te nemen die door de verkoper (producent) daadwerkelijk zijn gemaakt om de goederen te vervoeren naar de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Europese Unie (Gemeenschap) [Or. 6] wanneer, zoals in de onderhavige zaak, (1) volgens de leveringsvoorwaarden („Incoterms 2000” – DAF) de verplichting om deze kosten te dragen, op de verkoper (producent) rustte, en (2) die vervoerskosten hoger waren dan de overeengekomen en door de koper (importeur) werkelijk betaalde (te betalen) prijs, maar (3) de door de koper (importeur) werkelijk betaalde (te betalen) prijs overeenkwam met de werkelijke waarde van de goederen, ook al was deze prijs ontoereikend om alle door de verkoper (producent) gemaakte vervoerskosten te dekken?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-306/04 Compaq Computer International Coproration, C-59/16 Shirtmakers, C-354/09, C-116/12, C-11/89 Unifert.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal