C-080/20 Wilo Salmson France

Contentverzamelaar

Terug C-080/20 Wilo Salmson France

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     28 april 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     14 juni 2020

Trefwoorden : BTW, verzoek tot teruggaaf, termijnen, recht op aftrek

Onderwerp :

•          Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

•          Richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn.

 

Feiten:

De in Roemenië gevestigde vennootschap ZES Zollner Electronic SRL heeft in 2012 facturen uitgereikt voor de levering van productieapparatuur aan de in Frankrijk gevestigde vennootschap Pompas Salmson SAS (na fusie in 2014: Wilo Salmson France SAS). Het begin- en eindpunt van deze levering bevindt zich in Roemenië. Verzoeker, Wilo Salmson France, heeft de Roemeense belastingautoriteiten verzocht om teruggaaf van de btw in 2012. Bij besluit van 14-01-2014 is dit verzoek afgewezen om redenen die onder andere verband hielden met het feit dat de bijgevoegde facturen niet conform waren. De leverancier heeft vervolgens de facturen uit 2012 gecrediteerd en in 2015 nieuwe facturen uitgereikt. Wilo Salmson France heeft in 2015 opnieuw verzocht om teruggaaf van de btw op basis van de nieuwe facturen, welk verzoek ongegrond is verklaard. Een bezwaar tegen dit besluit is opnieuw ongegrond verklaard op grond dat voor de btw waarom een teruggaaf werd verzocht, reeds eerder een verzoek tot teruggaaf was ingediend en de transacties waarvoor om teruggaaf werd verzocht, betrekking hadden op 2012 en niet 2015. Tegen die besluiten van de belastingautoriteiten heeft Wilo Salmson France administratief beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Wilo Salmson France stelt dat de termijn voor uitoefening van het recht op aftrek niet uitsluitend kan worden bepaald op basis van het tijdstip waarop de verworven goederen worden geleverd, aangezien daarmee alleen wordt voldaan aan het materiële voorwaarde om het recht te doen gelden, maar niet aan de formele voorwaarde, namelijk het bezit van een geldige factuur. Verzoekster betoogt dat vanuit procedureel oogpunt het tijdstip waarop het verzoek tot teruggaaf kan worden ingediend, volgens richtlijn 2008/9/EG het tijdstip van uitreiking van de factuur is, dat in de onderhavige zaak in 2015 ligt. De verwijzende rechter merkt op dat het in wezen draait rond de vraag of de btw over in 2012 verrichte verwervingen kan worden teruggegeven, hoewel de geldige aankoopfacturen met btw voor die verwervingen pas in 2015 zijn uitgereikt.

 

Overweging:

Het is de verwijzende rechter onduidelijk of het tijdstip waarop de termijn voor de uitoefening van het recht op aftrek begint te lopen uitsluitend kan worden bepaald op basis van het tijdstip waarop de goederen worden geleverd zonder eventuele andere relevante omstandigheden in aanmerking te nemen. De verwijzende rechter stelt dat dit niet uitdrukkelijk is geregeld in richtlijn 2006/112/EG. Artikel 167 van richtlijn 2006/112/EG bepaalt dat het recht op aftrek ontstaat op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt, terwijl artikel 178 van richtlijn 2006/112/EG bepaalt dat dit recht pas kan worden uitgeoefend op het tijdstip waarop de belastingplichtige in het bezit is van een factuur waarop de levering van de goederen is vermeld. Het bezit van een geldige factuur is dus essentieel om het recht op aftrek/teruggaaf te kunnen uitoefenen, maar alleen de leverancier beslist over de uitreiking van die factuur. Daarnaast is het de verwijzende rechter niet duidelijk wat de gevolgen zijn voor de uitoefening van het recht op teruggaaf van btw van de annulering en uitreiking van nieuwe facturen voor verwervingen van goederen die aan het teruggaaftijdvak voorafgaan.

 

Prejudiciële vragen:

1) Wat de uitlegging van artikel 167 juncto artikel 178 van richtlijn 2006/112/EG betreft: is er ten aanzien van de werking van het btw-stelsel sprake van een onderscheid tussen het tijdstip waarop het recht op aftrek ontstaat en het tijdstip waarop dit recht wordt uitgeoefend?  Daartoe moet worden nagegaan of het recht op btw-aftrek kan worden uitgeoefend wanneer er voor de verrichte verwervingen van goederen geen (geldige) factuur met btw is uitgereikt.

2) Welk referentiepunt moet bij de uitlegging van dezelfde bepalingen, gelezen in samenhang met artikel 14, lid 1, onder a), eerste volzin, van richtlijn 2008/9/EG, vanuit procedureel oogpunt in aanmerking worden genomen bij de beoordeling of het recht op teruggaaf van btw rechtmatig is uitgeoefend? Daartoe moet worden nagegaan of kan worden verzocht om teruggaaf van btw die vóór het „teruggaaftijdvak” verschuldigd is geworden, maar die gedurende het teruggaaftijdvak is gefactureerd.

3) Wat de uitlegging van hetzelfde artikel 14, lid 1, onder a), eerste volzin, van richtlijn 2008/9/EG, gelezen in samenhang met de artikelen 167 en 178 van richtlijn 2006/112/EG betreft: welke gevolgen hebben de annulering en de uitreiking van nieuwe facturen voor verwervingen van goederen die aan het „teruggaaftijdvak” voorafgaan, op de uitoefening van het recht op teruggaaf van btw over die verwervingen? Daartoe moet worden nagegaan of in het geval dat de voor de verwervingen van de goederen oorspronkelijk uitgereikte facturen door de leverancier zijn geannuleerd en later nieuwe facturen zijn uitgereikt, voor de uitoefening van het recht van de afnemer om te verzoeken om teruggaaf van btw over de verwervingen moet worden aangeknoopt bij de datum van de nieuwe facturen, met name in een situatie waarin de afnemer geen zeggenschap heeft over de annulering van de oorspronkelijke facturen of de uitreiking van nieuwe facturen, maar alleen de leverancier daarover beslist.

4) Kan de nationale wettelijke regeling de overeenkomstig richtlijn [2008/9/EG] toegestane teruggaaf van btw afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de btw verschuldigd is geworden, wanneer de correcte factuur is uitgereikt in de periode waarvoor om teruggaaf wordt verzocht?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Conclusie A-G in Volkswagen (C-533/16), Conclusie A-G in Biosafe – Indústria de Reciclagens (C-8/17)

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal

Gerelateerde documenten