C-092/20

Contentverzamelaar

Terug C-092/20

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     28 april 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     14 juni 2020

Trefwoorden : douaneschuld, niet-communautaire goederen, geneesmiddelen

Onderwerp :

Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (Dw.)

 

Feiten:

Verzoekster vervaardigt en verkoopt geneesmiddelen. Verweerder verleende verzoekster in oktober 2008 een vergunning om als goedgekeurde exporteur communautaire goederen te mogen uitvoeren. Verzoekster heeft in december 2014 bij verweerder 12,5 kilo ertugliflozin uit de VS ingevoerd, dat zij voor de vervaardiging van een geneesmiddel wilde gebruiken, aangegeven voor het vrije verkeer. Verweerder heeft de aangiften aanvaard en verzoekster douanerechten opgelegd.  Later besloot verzoekster het ingevoerde ertugliflozin in het kader van de regeling actieve veredeling te verwerken. Om die reden verzocht zij verweerder om haar met terugwerkende kracht een dienovereenkomstige vergunning te verlenen. Verweerder heeft verzoekster erop gewezen dat de veredelingsproducten in verband met de beëindiging van de actieve veredeling bij het douanekantoor Beckum dienden te worden aangegeven en met opgave van code 3151 weer uit het douanegebied van de Gemeenschap dienden te worden uitgevoerd of naar een andere douanebestemming dienden te worden overgebracht. Verzoekster heeft in maart en april 2015 in totaal 219,361 kilo geneesmiddelen die uit het ertugliflozin waren vervaardigd, alsmede 4,31 kilo niet verwerkt ertugliflozin uitgevoerd uit het douanegebied van de Gemeenschap naar de VS. De uitvoer van de veredelingsproducten en het ertugliflozin heeft zij aangegeven in het kader van de aan haar verleende vergunning als goedgekeurde exporteur, met toepassing van de codes 1000 en 1041, aangezien de met de afwikkeling van de invoer belaste werknemer na de ongeldigverklaring van de douaneaangiften voor het in het vrije verkeer brengen had nagelaten het ertugliflozin in hun gegevensverwerkingsysteem als niet-communautair goed aan te duiden waardoor de door verzoekster uitgevoerde veredelingsproducten en het ertugliflozin niet zijn aangegeven bij het douanekantoor Beckum. Verweerder heeft verzoekster douanerechten opgelegd ten bedrage van 179.241,32 EUR, omdat zij het ertugliflozin en de veredelingsproducten heeft onttrokken aan het toezicht van de douaneautoriteiten. Hiertegen heeft verzoekster bezwaar aangetekend. Verzoekster heeft na de vruchteloze bezwaarprocedure beroep ingesteld, waarbij zij aanvoert dat de wederuitvoer van de niet-communautaire goederen een bijzondere omstandigheid vormt. De fout in de aangifte als oorzaak voor het ontstaan van de douaneschuld, kon door het lezen van de vergunning niet worden vermeden. Verweerder voert aan dat de fout van een werknemer van verzoekster bij het invoeren van een code niet als een bijzondere omstandigheid kan worden beschouwd. Verder is er sprake van een klaarblijkelijke nalatigheid.

 

Overweging:

De verwijzende rechter is van mening dat in het hoofdgeding sprake zou kunnen zijn van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 239, lid 1, tweede streepje, Dw. In het algemeen is sprake van dergelijke omstandigheden wanneer de marktdeelnemer zich in vergelijking met andere marktdeelnemers in een uitzonderlijke situatie bevond of wanneer het, gelet op de betrekkingen tussen de marktdeelnemer en de administratie, niet billijk zou zijn om eerstgenoemde een nadeel te berokkenen dat hij bij een juiste gang van zaken niet zou hebben ondergaan. De verwijzende rechter benadrukt dat verzoekster op grond van een met terugwerkende kracht toegestane regeling actieve veredeling werd geconfronteerd met een ingewikkelde douanerechtelijke situatie. Verzoekster heeft niet klaarblijkelijk nalatig gehandeld, zodat terugbetaling van de door verweerder vastgestelde douanerechten niet is uitgesloten. De met de afwikkeling van de invoer belaste werknemer heeft namelijk nagelaten het ertugliflozin, na de ongeldigverklaring van de douaneaangiften voor het in het vrije verkeer brengen, in het gegevensverwerkingsysteem van verzoekster als niet-communautair goed aan te duiden. Deze beroepsfout zou ook door het lezen van de vergunningen niet hebben kunnen worden vermeden.

 

Prejudiciële vragen:

Moet artikel 239, lid 1, tweede streepje, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek aldus worden uitgelegd dat volgens deze bepaling in een geval zoals in het hoofdgeding, waarin de door de belanghebbende ingevoerde niet-communautaire goederen weer uit het douanegebied van de Gemeenschap zijn uitgevoerd en de omstandigheden die tot het ontstaan van de douaneschuld hebben geleid, geen klaarblijkelijke nalatigheid van de belanghebbende inhouden, de douanerechten kunnen worden terugbetaald?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: arrest Hof van 29 april 2004 (C-222/01), arrest van 12 februari 2004 (C-337/01), conclusie van 12 juni 2003 (C-337/01), arrest Hof van 13 september 2007 (C-443/05 P), arrest van 20 november 2008 (C-38/07 P)

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal