C-1/21  Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika“

Contentverzamelaar

C-1/21  Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika“

Prejudiciële hofzaak      

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     8 maart 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     22 april 2021

Trefwoorden : belastingen; oneerlijk gedrag; evenredigheid

Onderwerp :

-           Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen;

-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

Feiten:

Verzoeker was directeur van de onderneming ZZ, ten aanzien waarvan een naheffingsaanslag is vastgesteld (3.799.590,93 BGN inclusief de rente over de niet-voldane btw). De onderneming is de belastingplichtige en moet zowel de btw als de daarover verschenen rente voldoen op het tijdstip waarop de schulden opeisbaar worden, voor zover haar financiële draagkracht dit toelaat. Er werd een executieprocedure ingeleid en de schuldenaar is herhaaldelijk aangemaand tot vrijwillige betaling, maar deze heeft nooit plaatsgevonden. De vennootschap heeft nog andere schulden, waarvoor zekerheid is gesteld d.m.v. pandrechten en conservatoir beslag. Ook de rekeningen van de vennootschap zijn gepand, maar de daarop ontvangen bedragen volstaan niet voor de aflossing van de schulden. Daarom heeft de tenuitvoerleggingsautoriteit de inning van de schulden van de vennootschap aangemerkt als moeilijk uitvoerbaar. Met het oog op een mogelijke aansprakelijkstelling van verzoeker op grond van zijn persoonlijke aansprakelijkheid voor deze schulden van een derde, heeft de autoriteit voor belastinginkomsten zich gericht tot de NAP (territoriale directie van het nationaal agentschap voor belastinginkomsten). Verzoeker heeft bedragen overgemaakt aan de voor de vennootschap werkende advocaat, die ze vervolgens heeft doorgestort op de rekening van verzoekers echtgenote waartoe ook verzoeker toegang heeft. Bij naheffingsaanslag is ten laste van verzoeker een schuld jegens de overheid vastgesteld (45.008,25 BGN); dit bedrag is onderdeel van de niet-voldane belastingschuld van de vennootschap. Verzoeker heeft hierop beroep ingesteld.

Overweging:

De verwijzende rechter heeft geen rechtspraak van het Hof aangetroffen die het voor de juiste afdoening van het hoofdgeding vereiste antwoord op de prejudiciële vragen geeft. Op het gebied van het geharmoniseerde btw-stelsel heeft het Hof herhaaldelijk verduidelijkt hoe het evenredigheidsbeginsel moet worden toegepast, zonder zich uit te spreken over de toepassing van dat beginsel in omstandigheden die vergelijkbaar zijn met de omstandigheden die in het hoofdgeding aan de orde zijn. Volgens de verwijzende rechter is de door het Hof in zijn rechtspraak gegeven uitlegging van artikel 205 van de btw-richtlijn niet relevant, omdat de hoofdelijke aansprakelijkheid waarin de nationale regeling voorziet, niet binnen de werkingssfeer van die bepaling valt, alsmede omdat de daarin geregelde hoofdelijke aansprakelijkheid betrekking heeft op een belastingplichtige in de zin van de btw-richtlijn.

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 9 van de Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gelezen in samenhang met artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling als die waarin artikel 19, lid 2, DOPK op het geharmoniseerde gebied van de belasting over de toegevoegde waarde voorziet en waarvan de toepassing leidt tot de latere hoofdelijke aansprakelijkheid van een niet-belastingplichtige natuurlijke persoon die de belasting over de toegevoegde waarde niet verschuldigd is, maar van wie het  oneerlijke gedrag tot gevolg had dat de belasting over de toegevoegde waarde niet is voldaan door de belastingplichtige rechtspersoon die de belastingschuldenaar is?

2) Staan de uitlegging van die bepalingen en de toepassing van het evenredigheidsbeginsel ook aan de nationale regeling van artikel 19, lid 2, DOPK in de weg als het gaat om de rente over de belasting over de toegevoegde waarde die de belastingplichtige te laat heeft betaald?

3) Is de nationale regeling van artikel 19, lid 2, DOPK in strijd met het evenredigheidsbeginsel wanneer de te late betaling van de belasting over de toegevoegde waarde waardoor rente over de btw-schuld is verschenen, niet te wijten is aan het gedrag van de niet-belastingplichtige natuurlijke persoon, maar aan het gedrag van een andere persoon of aan het intreden van objectieve omstandigheden?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal; FIN