C-10/22 LEA 

Contentverzamelaar

C-10/22 LEA 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    16 maart 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    2 mei 2022

Trefwoorden : auteurswet, auteursrechten, collectieve beheerorganisatie, onafhankelijke beheerentiteit

Onderwerp :

Richtlijn 2014/26/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor het online gebruik ervan op de interne markt

Feiten:

LEA is een organisatie voor het collectieve beheer van auteursrechten, dat wil zeggen een van de rechtssubjecten die gemachtigd zijn tot bemiddeling van auteursrechten in Italië als bedoeld in artikel 180 van de auteurswet, en vervult dus de functie van gemachtigde voor het beheer en de promotie van de auteursrechten van de bij haar geregistreerde auteurs, met de taak de opbrengsten uit die rechten te innen. Jamendo is een Luxemburgse onafhankelijke beheerder van auteursrechten die sinds 2004 in Italië werkzaam is, en tot doel heeft artiesten en muziekliefhebbers over de hele wereld met elkaar in contact te brengen teneinde een onafhankelijke internationale muziek-community te creëren. LEA heeft de verwijzende rechter in kort geding verzocht om Jamendo te bevelen haar activiteit te staken; volgens verzoekster is de door Jamendo verrichte bemiddeling van auteursrechten in Italië onrechtmatig. Jamendo heeft in de kortgedingprocedure verweer gevoerd en daarbij een uitlegging van de Italiaanse regeling aangevoerd die in overeenstemming is met richtlijn 2014/26/EU, waarin is bepaald dat de rechthebbende van auteursrechten en naburige rechten op muziekwerken vrij is om het beheer van zijn rechten toe te vertrouwen aan een collectieve beheerorganisatie (CBO) of aan een onafhankelijke beheerentiteit (OBE). Jamendo beklaagt zich erover dat de Italiaanse wetgever bij de omzetting van de communautaire regeling in nationaal recht de in de richtlijn genoemde rechten niet op juiste wijze aan de onafhankelijke beheerentiteiten heeft toegekend. Artikel 180 auteurswet bepaalt nog steeds dat de SIAE (Italiaanse vennootschap van auteurs en uitgevers) en CBO’s de enige entiteiten zijn die bemiddelingsactiviteiten kunnen verrichten, en bevat daarentegen geen enkele verwijzing naar OBE’s.

Overweging:

In het Italiaanse omzettingsbesluit wordt bepaald dat rechthebbenden het beheer naar hun keuze kunnen toevertrouwen aan een CBO dan wel een OBE van een willekeurige lidstaat van de EU. In diezelfde tekst is anderzijds bepaald dat dit geldt onverminderd „het bepaalde in artikel 180 van de auteurswet”, waardoor op nationaal grondgebied uitsluitend de SIAE en de CBO’s actief kunnen zijn. In wezen heeft de Italiaanse wetgever, hoewel hij de geest van de richtlijn volledig heeft omgezet, in de vorm van een uitzondering een onlogische beperking ingevoerd die in strijd is met de beginselen van de richtlijn. Volgens de nationale regeling die voortvloeit uit artikel 4, lid 2, van het omzettingsbesluit en de huidige tekst van artikel 180 van de auteurswet, hebben OBE’s  namelijk geen toegang tot de Italiaanse markt, aangezien zij verplicht zijn om vertegenwoordigingsovereenkomsten met de SIAE of andere CBO’s te sluiten, terwijl de mogelijkheid van rechtstreeks beheer door de rechthebbenden onverlet blijft. Aangezien OBE’s zich volgens de richtlijn rechtmatig kunnen bezighouden met het beheer en de bemiddeling van auteursrechten, vereist elke territoriale beperking aan hun werkzaamheid – gezien de concurrentiebevordering die de rechtsorde van de Unie nastreeft – een rechtvaardiging die kan worden teruggevoerd op een van de in deze rechtsorde uitdrukkelijk vermelde gevallen. In de meeste bepalingen van de richtlijn worden de activiteiten van het collectieve beheer van de rechten, zowel wat de verwerving van de machtiging van auteurs als wat de verlening van licenties aan gebruikers betreft, als één geheel gezien, zodat het recht van OBE’s om op de markt actief te zijn zou kunnen worden afgeleid uit overweging 15 van de richtlijn, als uitvloeisel van het vrije recht van rechthebbenden om de machtiging ook aan deze entiteiten te verlenen. De fumus in kort geding is derhalve sterk afhankelijk van de toepassing van een nationale regeling die een beginsel uitdrukt dat mogelijk in strijd is met de regeling waarbij Unierecht in nationaal recht is omgezet.

Prejudiciële vraag:

Moet richtlijn 2014/26/EU aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale regeling die de toegang tot de markt voor de bemiddeling van auteursrechten, althans de verlening van licenties aan gebruikers, voorbehoudt aan organisaties die volgens de definitie van deze richtlijn kunnen worden gekwalificeerd als collectieve beheerorganisaties, met uitsluiting van organisaties die kunnen worden gekwalificeerd als onafhankelijke beheerentiteiten die in dezelfde staat of in andere lidstaten zijn opgericht?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV, EZK