C-100/20 Hauptzollamt B

Contentverzamelaar

C-100/20 Hauptzollamt B

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     28 april 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     14 juni 2020

Trefwoorden : elektriciteitsbelasting, rente, facultatieve belastingverlaging

Onderwerp :

Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit, zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/75/EG van de Raad van 29 april 2004 tot wijziging van richtlijn 2003/96/EG.

 

Feiten:

Verzoekster en verzoekster tot Revision, een onderneming in de be- en verwerkende industrie, betrok onbelaste wisselstroom uit het distributienet en laadde hiermee accu’s op. In haar aangifte elektriciteitsbelasting voor 2010 heeft zij deze hoeveelheid elektriciteit als haar eigen verbruik aangegeven en gekozen voor het verlaagde belastingtarief als bedoeld in § 9, lid 3, van de wet op de elektriciteitsbelasting (StromStG). Verweerder en verweerder in Revision, het hoofddouanekantoor, heeft over deze hoeveelheid elektriciteit echter belasting geheven tegen het standaardbelastingtarief en heeft een van de belastingaangifte afwijkende aanslag elektriciteitsbelasting vastgesteld. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Nadat in een rechtszaak met betrekking tot 2006 was vastgesteld dat het verlaagde belastingtarief als bedoeld in § 9, lid 3, StromStG van toepassing was, veranderde het hoofddouanekantoor ook de vaststelling van de elektriciteitsbelasting voor 2010 en belastte het nu ook de hoeveelheid elektriciteit waarmee in 2010 de accu’s werden opgeladen tegen een verlaagd tarief. In december 2014 heeft verzoekster verzocht om de vaststelling van rente over de terugbetaalde elektriciteitsbelasting voor het kalenderjaar 2010, hetgeen door het hoofddouanekantoor is afgewezen. De Duitse belastingrechter in eerste aanleg was van oordeel dat verzoekster noch op grond van het nationale recht, noch op grond van het Unierecht aanspraak kan maken op de verzochte betaling van rente. Over de terugbetaalde elektriciteitsbelasting is krachtens het Unierecht geen rente verschuldigd omdat het elektriciteitsverbruik voor het opladen van de accu’s hoe dan ook niet valt binnen de werkingssfeer van richtlijn 2003/96/EG. Verzoekster heeft tegen deze beslissing beroep in Revision ingesteld. Zij is van mening dat volgens de rechtspraak van het Hof niet alleen in strijd met het Unierecht geheven belastingen moeten worden terugbetaald, maar ook eventueel gederfde rente moet worden vergoed, wat ook geldt bij de toepassing van facultatieve belastingverlagingen.

 

Overweging:

Volgens de verwijzende rechter hangt de beslechting van het geding af van richtlijn 2003/96. Over de uitlegging van deze richtlijn bestaan twijfels die doorslaggevend zijn voor de beslechting van het geding. De vraag is of over een recht op terugbetaling van elektriciteitsbelasting volgens de rechtspraak van het Hof rente verschuldigd is wanneer dat recht door een lidstaat wordt gebaseerd op de toepassing van een facultatieve belastingverlaging. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat het elke lidstaat vrijstaat te beslissen met welke regelingen uitvoering wordt gegeven aan richtlijn 2003/96. Volgens de verwijzende rechter beschikken de lidstaten bij de omzetting van artikel 17, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/96 niet alleen met betrekking tot de definitie van de groep van begunstigde ondernemingen over speelruimte, maar ook met betrekking tot de hoogte van het belastingtarief, voor zover dit tarief eventuele Unierechtelijke ondergrenzen niet onderschrijdt. Bij artikel 17, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/96 gaat het dus om een facultatieve belastingvermindering die de lidstaten aan belastingplichtigen kunnen toestaan. Bijgevolg bestaat er geen verplichting om energie-intensieve bedrijven fiscaal te begunstigen. Dit roept de vraag op of over een recht op terugbetaling van elektriciteitsbelasting dat gebaseerd is op een (louter) facultatieve belastingverlaging evenzeer rente verschuldigd is als over een recht op terugbetaling van elektriciteitsbelasting dat gebaseerd is op een verplichte belastingvrijstelling of belastingverlaging.

 

Prejudiciële vraag:

Moet krachtens het Unierecht rente worden betaald over een recht op terugbetaling van ten onrechte vastgestelde elektriciteitsbelasting wanneer de lagere vaststelling van de elektriciteitsbelasting heeft plaatsgevonden op basis van de facultatieve belastingverlaging als bedoeld in artikel 17, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit, en wanneer de te hoge belastingvaststelling bovendien uitsluitend berustte op een fout bij de toepassing van de ter uitvoering van artikel 17, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/96 vastgestelde nationale bepaling op het onderhavige geval?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Fondazione Santa Lucia (C 189/15), Cristal Union (C 31/17), Littlewoods Retail e.a., (C-591/10), Zuckerfabrik J ü lich e.a. (C-113/10, C-147/10 en C-234/10), (C-565/11), , (C-331/13), (C-365/15), Rafin ă ria Steaua Rom â n ă (C-431/12), ROZ ŚWIT (C 418/14)

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal