C-103/13 Somova

Contentverzamelaar

C-103/13 Somova
Prejudiciële Hofzaak C-103/13 Somova

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:  22 april 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:  8 mei 2013
Schriftelijke opmerkingen:                  8 juni 2013
Trefwoorden: sociale zekerheid (pensioenen); vrije vestiging; handvest grondrechten

Onderwerp: Vo. 1408/71 (sociale zekerheid) en de toepassingsVo. 574/72.

Verzoekster bereikt in 2007 de pensioengerechtigde leeftijd en vraagt pensioen aan. Zij overlegt bewijsstukken van BUL werkgevers voor de periode 1967 – 1996, daarna is zij niet meer verzekerd geweest. De tijdvakken zijn onvoldoende om verzoekster recht op pensioen toe te kennen, daarom vraagt zij een persoonlijk ouderdomspensioen aan waarvoor zij voor de ontbrekende maanden alsnog premie moet afdragen (in haar geval twee jaar, zes maanden en 17 dagen. De aanvraag wordt goedgekeurd en zij krijgt een afbetalingsregeling voor het ontbrekende bedrag.
In 2011 ontvangen de autoriteiten formulieren van de OOSaut waaruit blijkt dat verzoekster tussen 1995 en 2011 als zelfstandige in OOS heeft gewerkt en recht heeft op pensioen. De BÜLaut stellen dat er wel sprake is van doorlopende tijdvakken. Verzoekster had derhalve geen recht op de ingekochte pensioentijd. Het eerder genomen goedkeuringsbesluit wordt nietig verklaard en verzoekster moet het teveel ontvangen pensioen terugbetalen. Verzoekster gaat in bezwaar, stellende dat op haar pensioenbetaling alleen het nationale recht van toepassing is.

De verwijzende BUL rechter stelt vast dat Vo. 1408/71 van toepassing is omdat verzoekster in EU-lidstaat OOS verzekerd was. Maar hij vraagt zich af of het nationale recht wel verenigbaar is met de EU-regeling, en stelt het HvJEU de volgende vragen:
1. Moeten, in de omstandigheden van het hoofdgeding, de artikelen 48, eerste alinea, VWEU en 49, eerste en tweede alinea, VWEU aldus worden uitgelegd dat zij een nationale bepaling van een lidstaat toestaan, zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde artikel 94, lid 1, van de Kodeks na sotsialno osiguryavane (Bulgaars wetboek inzake sociale zekerheid), waarin het vereiste is neergelegd van beëindiging van de verzekering als grondslag voor de toekenning van een ouderdomspensioen aan een onderdaan van een lidstaat die ten tijde van de aanvraag van een pensioen als zelfstandige in een andere lidstaat werkzaam is en binnen de werkingssfeer valt van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen?
2. Moet artikel 94, lid 2, van verordening nr. 1408/71 juncto artikel 48, eerste alinea, sub a, VWEU aldus worden uitgelegd dat het een uitzondering toestaat op de regel van samentelling van verzekeringstijdvakken wanneer het gaat om verzekeringstijdvakken die vervuld zijn in een andere lidstaat voordat de verordening werd toegepast door de lidstaat waarbij de pensioenaanvraag werd ingediend, doordat de voornoemde bepaling de verzekerde het recht toekent om te kiezen of hij deze tijdvakken voor een samentelling opgeeft en de noodzaak van een samentelling te beoordelen, wanneer het tijdvak dat alleen is vervuld krachtens het recht van de lidstaat waarbij de aanvraag werd ingediend, niet toereikend is om recht te verkrijgen op een pensioen en een toereikend tijdvak alleen kan worden verworven door betaling van verzekeringspremies? Staat in deze omstandigheden artikel 48, eerste alinea, sub a, VWEU toe dat het afzien van de toepassing van artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71 inzake de samentelling van tijdvakken van verzekering na de datum waarop laatstgenoemde verordening van toepassing is geworden ter beoordeling staat van de verzekerde, doordat deze in zijn pensioenaanvraag de in een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering niet opgeeft?
3. Moet artikel 12, lid 1, van verordening nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd dat dit een erkenning toestaat van tijdvakken van verzekering op grond van betaling van verzekeringspremies, zoals die in het Bulgaarse recht in § 9, lid 3, [van de overgangs- en slotbepalingen van] de Kodeks za sotsialno osiguryavane is voorzien, wanneer, zoals in de omstandigheden van het hoofdgeding, dergelijke in aanmerking genomen tijdvakken van verzekering samenvallen met tijdvakken van verzekering die krachtens het recht van een andere lidstaat zijn vervuld?
4. Moet artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd dat dit toestaat dat een lidstaat de betalingen beëindigt en de terugbetaling vordert van alle betalingen uit hoofde van een aan een onderdaan van deze lidstaat krachtens nationaal recht toegekend ouderdomspensioen, wanneer aan de voorwaarden van verordening nr. 1408/71 slechts was voldaan op het moment van toekenning van het ouderdomspensioen en er op grond van enkel op het nationale recht berustende overwegingen, volgens welke op het tijdstip van de toekenning van het pensioen de verzekering van de betrokkene in een andere lidstaat niet was beëindigd, krachtens het nationale recht een tijdvak van verzekering op grond van betalingen was erkend zonder inaanmerkingneming van de verzekeringstijdvakken die op het tijdstip van toekenning van het pensioen in een andere lidstaat waren vervuld en zonder dat redenen waren aangevoerd op grond waarvan het pensioen op een ander bedrag had moeten worden vastgesteld? Indien de terugbetaling van pensioenbetalingen is toegestaan, volgt dan uit de Unierechtelijk e beginselen van evenredigheid en doeltreffendheid dat ook rente is verschuldigd wanneer het nationale recht van de lidstaat in het geval van terugbetaling van een overeenkomstig een volkenrechtelijk verdrag toegekend pensioen niet voorziet in rentebetalingen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-396/05 enz Habelt e.a.
Specifiek beleidsterrein: SZW

Gerelateerde documenten