C-105/20 UNMLibres

Contentverzamelaar

C-105/20 UNMLibres

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    23 april 2020
Schriftelijke opmerkingen:                    9 juni 2020

Trefwoorden : discriminatie; deeltijdarbeid; sociale zekerheid

Onderwerp :

-           Richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende deeltijdarbeid;

-           Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie;

-           Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking);

-           Richtlijn 86/613/EEG van 11 december 1986 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen, de landbouwsector daarbij inbegrepen en betreffende de bescherming van het moederschap;

 

Feiten:

Deze zaak is een vervolg op C-321/17, welke in 2017 door het Hof niet-ontvankelijk werd verklaard. Het Hof gaf de verwijzende rechter de mogelijkheid om een nieuw verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen met aanvullende elementen. Het huidige verzoek bevat aanvullende informatie. Verzoekster (UF) vordert €2.041,91 als moederschapsuitkering voor zelfstandigen. Verzoekster heeft van 2002 – 2010 twee deeltijdse functie uitgeoefend. Zij was deels aangesteld in loondienst, en deels als zelfstandige in bijberoep. Zij heeft als zelfstandige in bijberoep altijd haar socale bijdragen betaald (als zelfstandige in hoofdberoep). Verzoekster heeft de moederschapsuitkering uit hoofde van haar deeltijdse loondienst ontvangen, maar zij verkrijgt geen moederschapsuitkering als zelfstandige. Dit terwijl zij zelfs gedurende haar moederschapsverlof de sociale bijdragen als zelfstandige werkneemster moest blijven betalen. Verweerder weigert de moederschapsuitkering uit te keren op grond van koninklijk besluit 20.7.1971.

 

Overweging:

Het voornoemd koninklijk besluit kan niet worden toegepast. Met het koninklijk besluit wordt namelijk discriminatie in het leven geroepen tussen zelfstandigen die deeltijds werken in bijberoep en zelfstandigen die deeltijds werken in hoofdberoep. Ook wordt door het koninklijk besluit een rechtstreekse discriminatie in het leven geroepen tussen werkneemsters die voltijds in loondienst zijn en werkneemsters die voltijds in loondienst zijn en daarmee een zelfstandige activiteit combineren, aangezien alleen aan de eerstgenoemden een adequate uitkering wordt toegekend. Door verzoekster de betaling van moederschapsuitkering te weigeren, heeft verweerder verzoekster belet om in concreto een adequate uitkering te ontvangen die haar moederschapsverlof dekt, terwijl zij als werkneemster in loondienst en als zelfstandige daadwerkelijk bijdragen betaalde in twee socialezekerheidsstelsels. De verwijzende rechter is van mening dat met de aanvullende informatie de twee prejudiciële vragen opnieuw kunnen worden gesteld.

 

Prejudiciële vragen:

1) Is het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten in strijd met de artikelen 21 en 23 van het Handvest van de grondrechten, richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie, richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking), richtlijn 86/613/EEG van 11 december 1986 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen, de landbouwsector daarbij inbegrepen en betreffende de bescherming van het moederschap, en de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid, ten uitvoer gelegd in richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende deeltijdarbeid, doordat het voor een deeltijds werkende zelfstandige in bijberoep – die bijdragen betaalt als een zelfstandige in hoofdberoep – niet voorziet in een adequate uitkering voor moederschapsverlof, terwijl een deeltijds werkende zelfstandige in hoofdberoep het gehele bedrag van de moederschapsuitkering ontvangt?

2) Is het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten in strijd met de artikelen 21 en 23 van het Handvest van de grondrechten, richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie, richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking), richtlijn 86/613/EEG van 11 december 1986 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen, de landbouwsector daarbij inbegrepen en betreffende de bescherming van het moederschap, en de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid, ten uitvoer gelegd in richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende deeltijdarbeid, doordat het voor een werkneemster die voltijds een activiteit in loondienst en een zelfstandige activiteit combineert, niet voorziet in een adequate uitkering voor moederschapsverlof, terwijl een voltijds werkende zelfstandige het gehele bedrag van de moederschapsuitkering ontvangt?”

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: OJ C-321/17; Security Service e.a. C-692/15–C-694/15;

Specifiek beleidsterrein: SZW; BZK