C-109/20 PL Holdings

Contentverzamelaar

C-109/20 PL Holdings

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    24 april 2020
Schriftelijke opmerkingen:                    10 juni 2020

Trefwoorden : investeringsovereenkomst, arbitrageclausule, autonomie van het Unierecht, handelsarbitrage

Onderwerp : Artikelen  267 en 344 VWEU

 

Feiten:

De in Luxemburg gevestigde vennootschap PL Holdings S.à.r.l. (PL Holdings) is houder van 99% van de aandelen in een Poolse bank. In juli 2013 heeft de Poolse autoriteit verantwoordelijk voor het toezicht op banken en kredietinstellingen besloten tot intrekking van het stremrecht van deze aandelen en PL Holdings gelast tot verkoop van de aandelen. In reactie hierop heeft PL Holdings een verzoek voor een arbitrageprocedure ingediend bij het Arbitration Institute of the Stockholm Chamber of Commerce (SCC). PL Holdings beweert dat het SCC bevoegd is het geschil te beslechten op grond van artikel 9 van de investeringsovereenkomst gesloten tussen enerzijds Polen en anderzijds België en Luxemburg. Op grond van die bepaling kan een investeerder van een overeenkomstsluitende partij zich in geval van een geschil over investeringen in de andere lidstaat, tegen laatstgenoemde staat een procedure inleiden voor een scheidsgerecht waarvan deze lidstaat ertoe is gehouden de bevoegdheid te aanvaarden (‘investor-state arbitrageclausule’). Polen heeft op dit verzoek geantwoord. Het SCC heeft geoordeeld dat Polen de investeringsovereenkomst heeft geschonden door PL Holdings te verplichten tot verkoop van de aandelen en heeft Polen veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan PL Holdings. In een procedure voor de hoogste Zweedse rechter (de verwijzende rechter) tegen de arbitrale vonnissen voert Polen aan dat uit het Achmea arrest  volgt dat artikelen 267 en 344 VWEU in de weg staan aan een bepaling op grond waarvan een Luxemburgse investeerder in geval van een geschil met betrekking tot investeringen gemaakt in Polen, een arbitrageprocedure kan inleiden bij een scheidsgerecht, waarvan Polen verplicht is de bevoegdheid te aanvaarden. Volgens Polen is een dergelijke bepaling onverenigbaar met algemene beginselen van het Unierecht, waaronder de effectieve en uniforme uitlegging van het Unierecht en de autonomie van het Unierecht.

 

Overweging:

De verwijzende rechter vraagt het Hof welke betekenis de door het Hof in Achmea vastgestelde beginselen hebben voor de uitkomst van de bij de verwijzende rechter aanhangige zaak. Het Hof heeft in de zaak Achmea bepaald dat artikelen 267 en 344 VWEU zich verzetten tegen een investor-state arbitrageclausule in de investeringsovereenkomst tussen Nederland en Slowakije. Het Hof heeft daarnaast opgemerkt dat de arbitrageprocedure zoals die in de Achmea zaak verschilt van handelsarbitrage. Handelsarbitrage vindt plaats op grond van de autonomie van de betrokken partijen in plaats van op een overeengekomen bepaling in een verdrag waarin lidstaten afzien van de bevoegdheid van hun eigen rechterlijke instanties voor geschillen die betrekking kunnen hebben op de uitlegging of toepassing van het Unierecht. De verwijzende rechter acht het duidelijk dat uit het Achmea arrest volgt dat artikel 9 van de investeringsovereenkomst ongeldig is. Echter is het de verwijzende rechter onduidelijk of het Achmea arrest (en de daaruit volgende ongeldigheid van investor-state arbitrageclausules) in de weg staat aan het sluiten van een arbitrageovereenkomst door een lidstaat, nadat de investeerder een verzoek tot arbitrage heeft gedaan op basis van zijn vrijelijk geuite wensen, en deze lidstaat geen bezwaar maakt tegen de bevoegdheid van het scheidsgerecht. In dit verband oordeelt de verwijzende rechter dat het geschil dat is voorgelegd aan het scheidsgerecht geen onderwerpen betreft die niet door het scheidsgerecht beslecht hadden mogen worden.

 

Prejudiciële vraag:

Houden de artikelen 267 en 344 VWEU, zoals deze zijn uitgelegd in het arrest Achmea, in dat wanneer er in een investeringsovereenkomst een arbitragebeding is opgenomen dat nietig is omdat de overeenkomst is gesloten tussen twee lidstaten, een arbitrageovereenkomst die is gesloten tussen een lidstaat en een investeerder nietig is, [hoewel] de lidstaat, nadat de investeerder de aanvraag voor de arbitrageprocedure heeft ingediend, uit vrije wil geen bezwaren heeft ingediend tegen de bevoegdheid?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Achmea (C-284/16)

Specifiek beleidsterrein: BZ, EZK