C-110/13 HaTeFo

Contentverzamelaar

C-110/13 HaTeFo
Prejudiciële Hofzaak C-110/13 HaTeFo

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:  25 april 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:  11 mei 2013
Schriftelijke opmerkingen:                  11 juni 2013
Trefwoorden: belastingen (investeringsdrempels), mkb; ondering afgestemde gedragsregels

Onderwerp: Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen – kmo-aanbeveling – (Pb L 124, blz. 36).

Verzoekster is een in 1999 opgerichte GmbH en produceert platen, folie, buizen en profielen uit kunststof. Er zijn vier aandeelhouders/vennoten van wie twee tevens zelfstandig bedrijfsleider zijn.
In de beginjaren wordt de vennootschap gesteund door borgstellingen van een andere BV (‘X’) en er is een lastgevingsovereenkomst met die BV. Dat houdt in dat X de opdrachten geeft en zorg draagt voor de verkoop van de goederen, met name via internet. Door deze maatregelen meent verzoekster binnen de norm voor een mkb te blijven. Dat betekent dat zij van de bank hogere premies in het kader van de verbetering van de regionale economische structuur (GA-regeling) kan verkrijgen.
Maar de belastingdienst gooit roet in het eten: zij geeft een andere betekenis aan de constructie met X zodat verzoekster de mbk-drempel wel heeft overschreden en de te veel ontvangen premies moet terugbetalen. Verzoekster gaat (tevergeefs) in bezwaar en beroep; de zaak ligt nu voor herziening bij de verwijzende rechter.

De verwijzende DUI rechter vraagt zich met name af of elke samenwerking in het kader van ondernemingen van de bij beide ondernemingen betrokken natuurlijke personen, zonder dat er conflicten of tegengestelde belangen zijn, volstaat om te spreken van gemeenschappelijk optreden dan wel of een duidelijk onderling afgestemd gedrag van deze personen vereist is. Hij stelt het HvJEU drie vragen:
1. a) Aan welke vereisten moet worden voldaan om te spreken van een gemeenschappelijk handelen in de zin van artikel 3, lid 3, vierde alinea, van de bijlage bij aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (kmo-aanbeveling): volstaat in dit opzicht reeds elke samenwerking in het kader van de ondernemingen van de bij beide ondernemingen betrokken natuurlijke personen zonder dat er conflicten of belangentegenstellingen zijn, of is veeleer een duidelijk onderling afgestemd gedrag van deze personen vereist?
b) Indien een onderling afgestemd gedrag is vereist: volgt dit reeds uit een zuiver feitelijke samenwerking?
2. Moeten, wanneer er geen verplichting van geconsolideerde jaarrekening is, voor de vraag of een onderneming met een andere onderneming via een persoon of via een in gemeenschappelijk overleg handelende groep natuurlijke personen verbonden is, niet alleen de in artikel 3, lid 3, eerste alinea, van de bijlage bij de kmo-aanbeveling genoemde „banden” in beschouwing worden genomen, maar moeten ook via een algemene economische benadering aspecten als eigendomsverhoudingen – in het bijzonder het feit dat de aandeelhouders tot een familie behoren –, de deelnemingsstructuur en de economische integratie – in het bijzonder ook de identiteit van de bedrijfsleider – van de betrokken ondernemingen worden onderzocht?
3. Ingeval ook volgens de kmo-aanbeveling een verder dan de formele benadering gaande economische algemene benadering mogelijk is: veronderstelt dit opzet of althans het gevaar van omzeiling van de kmo-definitie? 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-91/01 ITA/CIE; T-137/02 Pollmeier Malchow
Specifiek beleidsterrein: EZ
Mede FIN

Gerelateerde documenten