C-112/13 Aliyev

Contentverzamelaar

C-112/13 Aliyev
Prejudiciële Hofzaak C-112/13 Aliyev
 

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:  29 april 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:  15 mei 2013
Schriftelijke opmerkingen:                  15 juni 2013
Trefwoorden: gelijkwaardigheidsbeginsel; handvest grondrechten

Onderwerp:
Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

Een groep van zeven Kazachstaanse vrouwen daagt verzoeker Aliyev wegens ontvoering / deportatie van hun echtgenoten c.q. vaders voor de OOS rechter omdat hij in dat land woonachtig is. Hij blijkt echter onvindbaar, zodat (in 2010) een zaakwaarnemer wordt aangewezen in de zin van het OOS Rv. Deze wijst de vordering af maar Aliyev, die inmiddels is opgedoken en een advocaat heeft aangewezen, stelt dat de zaakwaarnemer geen contact met hem heeft gehad en niet van de feiten op de hoogte is. Hij meent dat de OOS rechter onbevoegd is omdat de feiten zich in Kazachstan hebben afgespeeld; bovendien heeft hij OOS reeds lang voor de aanklacht verlaten.
In eerste instantie verklaart de rechter zich inderdaad internationaal onbevoegd omdat hij bewezen acht dat verzoeker op Malta woont. Het optreden van de zaakwaarnemer vindt hij geen verschijning in de zin van artikel 24 van Vo. 44/2001.
Maar de rechter in hoger beroep oordeelt dat artikel 26 van Vo. 44/2001 het aangezochte gerecht enkel verplicht zijn internationale bevoegdheid te onderzoeken in geval van niet-verschenen verweerder.
De zaak ligt nu voor in de door verzoeker aangevraagde herzieningsprocedure. Hij stelt daarin dat de aanwijzing van een ‘zaakwaarnemer’ die niet van een procedure op de hoogte is, rechten aan de verdediging ontneemt (artikel 6 EVRM en artikel 47 Handvest).
Verzoekers zijn echter van mening dat conform de OOS regeling aangewezen zaakwaarnemer elke handeling kan verrichten, omdat anders zijn benoeming zinloos zou zijn. Zij brengen een fundamenteel recht op een doeltreffende voorziening in rechte in stelling.

De verwijzende OOS rechter stelt het HvJEU drie vragen:
I. Brengt het bij de handhaving van het recht van de Europese Unie in acht te nemen Europeesrechtelijke „gelijkwaardigheidsbeginsel” mee dat in een procesrechtelijk stelsel waarin weliswaar de gewone gerechten die uitspraak moeten doen in een zaak, ook de grondwettigheid van wetten dienen te beoordelen, maar de bevoegdheid om met de grondwet strijdige wetten te vernietigen, is voorbehouden aan een op bijzondere wijze georganiseerd constitutioneel gerechtshof, de gewone gerechten ook in geval van strijdigheid van een wet met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie hangende het geding het constitutionele gerechtshof om vernietiging van die wet moeten verzoeken, en niet ermee kunnen volstaan de wet in het concrete geval buiten toepassing te laten?
II. Moet artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een bepaling van procesrecht op grond waarvan een internationaal onbevoegd gerecht voor een partij zonder bekende woon- of verblijfplaats een zaakwaarnemer bij afwezigheid („Abwesenheitskurator”) aanwijst, die dan door zijn „verschijning” internationale bevoegdheid kan scheppen?
III. Moet artikel 24 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken aldus worden uitgelegd, dat van een „verschijning van de verweerder” in de zin van deze bepaling sprake is indien de betrokken proceshandeling is verricht door de verweerder zelf dan wel door een door hem gemachtigde procesvertegenwoordiger, of geldt dit zonder enige restrictie ook bij een overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat aangewezen zaakwaarnemer bij afwezigheid?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-281/02 Osuwa; C-187/08 VfGH; C-123/10 Brachner; C-292/10 Visser
Specifiek beleidsterrein: VenJ

Gerelateerde documenten