C-112/20 État belge

Contentverzamelaar

C-112/20 État belge

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     24 april 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     10 juni 2020

Trefwoorden : belang van het kind, verwijderingsbeslissing, derdelanders

Onderwerp :

Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.

 

Feiten:

Bij verzoekschrift ingediend op 15-03-2020 heeft verzoeker M.A. verzocht om cassatie van een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat verzoeker op 24-05-2018 een bevel om het grondgebied te verlaten heeft ontvangen met vasthouding met het oog op verwijdering, evenals een inreisverbod, dat de volgende dag is betekend. Uit deze beslissingen blijkt  dat verzoeker heeft verklaard een Belgische partner te hebben en een in België geboren dochter. Er blijkt ook uit welke misdrijven hij heeft begaan en dat derhalve „de betrokkene door zijn gedrag beschouwd wordt als een gevaar voor de openbare orde”. Verzoeker betoogt dat verweerder geen rekening heeft gehouden met zijn gezinsleven aangezien de rechter niet had verklaard dat „het gezinsleven los van de motivering van de beslissingen in overweging was genomen.” Verzoeker klaagt verder dat het arrest geen uitleg bevat hoe het evenredigheidsbeginsel is nageleefd, terwijl in het beroep werd bestreden dat dit was gebeurd. Hij zet voorts uiteen dat zijn kind, om het gezinsleven met hem voort te zetten, gehouden is het grondgebied van de Unie te verlaten en het daarmee het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten. De bestuursrechter oordeelt op impliciete maar duidelijke wijze dat slechts rekening moet worden gehouden met het belang van het kind indien de betrokken bestuurlijke beslissing uitdrukkelijk op dat kind is gericht en indien die beslissing namens het kind wordt aangevochten voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Verzoeker betoogt integendeel dat het voornoemde artikel 74/13 van de wet van 15-12-1980 de verplichting bevat om rekening te houden met het hoger belang van het kind indien een verwijderingsbeslissing wordt genomen tegen een van zijn ouders, „zonder dat die eis beperkt blijft tot beslissingen betreffende een kind”.

 

Overweging:

De verwijzende rechter stelt dat het Hof de prejudiciële vraag dient te worden gesteld betreffende de uitlegging die dient te worden gegeven aan de verplichting om rekening te houden met het belang van het kind zoals bepaald in voornoemd artikel 5 van richtlijn 2008/115/EG van 16 december 2008 en de omvang van deze verplichting.

 

Prejudiciële vraag:

Dient artikel 5 van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, dat de lidstaten verplicht om bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn rekening te houden met het belang van het kind, gelezen in samenhang met artikel 13 van die richtlijn en de artikelen 24 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat het vereist dat rekening wordt gehouden met het belang van het kind, burger van de Unie, ook al is het  terugkeerbesluit uitsluitend ten aanzien van een ouder van het kind vastgesteld?”

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV-DMB