C-113/22 TGSS

Contentverzamelaar

C-113/22 TGSS

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    6 mei 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    22 juni 2022

Trefwoorden : discriminatie, administratieve inbreuk, pensioen, arbeidsongeschiktheid

Onderwerp :

Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid

Feiten:

DX, die twee kinderen heeft, heeft sinds 10-11-2018 recht op een pensioen wegens duurzame arbeidsongeschiktheid. Op 12-12-2019 heeft het Hof arrest gewezen in de zaak WA (C-450/18), waarin het heeft verklaard dat „richtlijn 79/7/EEG aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, die voorziet in het recht op een pensioentoeslag voor vrouwen die ten minste twee biologische of geadopteerde kinderen hebben en een op premie of bijdragebetaling berustend pensioen voor duurzame arbeidsongeschiktheid ontvangen krachtens een regeling uit hoofde van het nationale socialezekerheidsstelsel, terwijl mannen in dezelfde situatie geen recht hebben op een dergelijke pensioentoeslag.” Na dat arrest heeft het subdirectoraat-generaal voor organisatie en rechtsbijstand van het nationaal instituut voor sociale zekerheid (INSS) bestuursbesluit 1/2020 van 31-01-2020 gepubliceerd, waarin het volgende wordt bepaald: „ Zolang de overeenkomstige wijziging van artikel 60 TRLGSS niet is vastgesteld, wordt de toeslag op pensioenen uit hoofde van duurzame arbeidsongeschiktheid, pensionering en weduwschap, zoals geregeld in dat artikel, nog steeds, zoals dat tot op heden altijd is gebeurd, alleen toegekend aan vrouwen die voldoen aan de in dat artikel vermelde voorwaarden”. Op 10-11-2020 heeft DX een aanvraag om toekenning van de moederschapstoeslag uit hoofde van artikel 60 TRLGSS ingediend. Dat verzoek is afgewezen. DX heeft hiertegen beroep ingesteld. Daarbij heeft deze rechter verwezen naar het arrest WA en gepreciseerd dat de toekenning van de toeslag rechtsgevolgen sorteerde vanaf 10-08-2020 (dat wil zeggen vanaf drie maanden vóór de aanvraag van 10-11-2020, in overeenstemming met de nationale wetgeving). Voorts heeft hij geoordeeld dat aan DX geen schadevergoeding hoefde te worden toegekend, aangezien het een wettelijke discriminatie betrof. Zowel DX als het INSS heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. DX betoogt dat het INSS, door de toeslag niet toe te kennen aan mannen, discrimineert op grond van geslacht, temeer daar het INSS na het arrest WA heeft besloten de toeslag alleen te blijven toekennen aan vrouwen en mannen aldus te dwingen om zich met hun vordering tot de rechter te wenden.

Overweging:

De fundamentele vraag die in deze zaak wordt opgeworpen, en waarop het antwoord bepalend is voor het antwoord op de twee volgende vragen, is of de na het arrest WA bij bestuursbesluit 1/2020 ingestelde praktijk van het INSS om mannen de litigieuze toeslag altijd te ontzeggen en hen aldus te dwingen zich met hun vordering tot de rechter te wenden, volgens richtlijn 79/7/EEG moet worden beschouwd als een administratieve inbreuk op deze richtlijn, die verschilt van de in voornoemd arrest vastgestelde wettelijke inbreuk, en of die administratieve inbreuk, op zichzelf beschouwd, een met de artikelen 4 en 5 van die richtlijn strijdige discriminatie op grond van geslacht oplevert. In het arrest in eerste aanleg is geoordeeld dat er enkel sprake is van een wettelijke inbreuk. Volgens de verwijzende rechter gaat het echter om een administratieve inbreuk, die verschilt van de wettelijke inbreuk, hetgeen gevolgen kan hebben voor de datum waarop de toeslag gevolgen sorteert (tweede vraag) en voor de toekenning van een eventuele schadevergoeding aan DX (derde vraag). Indien wordt geoordeeld dat er enkel sprake is van een wettelijke inbreuk, zou de oplossing die in het vonnis van de rechter in eerste aanleg wordt gegeven ter zake van de datum waarop de toeslag economische gevolgen sorteert in overeenstemming zijn met het bepaalde in de nationale regeling. Indien daarentegen wordt geoordeeld dat er sprake is van een administratieve inbreuk die kan worden onderscheiden van de wettelijke inbreuk, rijst de vraag of de oplossing dezelfde moet zijn, dan wel of die integendeel vereist dat de economische gevolgen van de toeslag met terugwerkende kracht gelden vanaf de datum waarop het arrest in de zaak WA is gewezen of gepubliceerd of vanaf de datum van het feit dat recht geeft op het pensioen wegens arbeidsongeschiktheid. Indien wordt geoordeeld dat er sprake is van een administratieve inbreuk die kan worden onderscheiden van de wettelijke, zou de vordering tot schadevergoeding haar uiteindelijke oorsprong vinden in het Unierecht. Dit zou verschillende vragen doen rijzen over het door artikel 6 van richtlijn 79/7/EEG gewaarborgde recht op rechterlijke bescherming van de gelijke behandeling.

Prejudiciële vragen:

1. Moet de in bestuursbesluit 1/2020 van het subdirectoraat-generaal voor organisatie en rechtsbijstand van het [Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS)] van 31 januari 2020 neergelegde praktijk van het beheersorgaan om mannen de litigieuze toeslag altijd te ontzeggen en hen – zoals eiser in de onderhavige procedure – aldus te dwingen zich met hun vordering tot de rechter te wenden, volgens richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid worden opgevat als een administratieve inbreuk op deze richtlijn, die verschilt van de wettelijke inbreuk die is vastgesteld bij arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 december 2019, WA (C-450/18), zodat deze administratieve inbreuk op zichzelf beschouwd discriminatie op grond van geslacht oplevert, gelet op het feit dat het beginsel van gelijke behandeling in artikel 4 van die richtlijn wordt gedefinieerd als het uitsluiten van iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect, en dat volgens artikel 5 ervan de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen opdat alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die strijdig zijn met het beginsel van gelijke behandeling worden ingetrokken?

2. Moet, in het licht van het antwoord op de vorige vraag en gelet op richtlijn 79/7 (met name artikel 6 ervan en de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid wat de rechtsgevolgen van de schending van het Unierecht betreft), de datum waarop de rechterlijke erkenning van de toeslag rechtsgevolgen sorteert de datum van de aanvraag zijn (met een terugwerkende kracht van drie maanden), dan wel de datum waarop het Hof van Justitie van de Europese Unie het arrest WA heeft gewezen of gepubliceerd of de datum van het feit dat recht geeft op de prestatie wegens duurzame arbeidsongeschiktheid waarop de litigieuze toeslag betrekking heeft?

3. Moet er, in het licht van de antwoorden op de vorige vragen en gelet op de toepasselijke richtlijn (met name artikel 6 ervan en de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid wat de rechtsgevolgen van de schending van het Unierecht betreft), een vergoeding worden toegekend ter compensatie van de geleden schade en met een afschrikkende werking, omdat die schade niet wordt gedekt middels de vaststelling van de datum waarop de rechterlijke erkenning van de toeslag rechtsgevolgen sorteert, en moet, in ieder geval, het bedrag van de gerechtskosten en de advocatenhonoraria voor de Juzgado de lo Social en voor deze kamer voor sociale zaken worden opgenomen in die vergoeding?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: WA (C-450/18)

Specifiek beleidsterrein: SZW