C-118/20 Wiener Landesregierung

Contentverzamelaar

Terug C-118/20 Wiener Landesregierung

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     29 april 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     15 juni 2020

Trefwoorden : nationaliteit, burgerschap van de Unie, strafbare feiten  

Onderwerp : Artikel 20 VWEU

 

Feiten:

Bij schrijven van 15-12-2008 heeft verzoekster tot „Revision” verzocht om toekenning van het Oostenrijkse staatsburgerschap. Op dat tijdstip was zij een onderdaan van Estland en dus een burger van de Unie. Bij besluit van 11-03-2014 heeft de regering van de deelstaat Neder-Oostenrijk aan verzoekster de toezegging gedaan dat het Oostenrijkse burgerschap aan haar zou worden toegekend, mits zij binnen twee jaar het bewijs overlegde dat zij geen onderdaan meer was van de staat die tot dusver haar herkomststaat was. Verzoekster die ondertussen haar woonplaats had verlegd naar Wenen, heeft binnen de termijn van twee jaar het besluit van de Estland van 27-08-2015 overgelegd, waaruit bleek dat zij uit het Estse nationaliteitenregister was uitgeschreven. Sindsdien is zij staatloos. Bij besluit van 06-07-2017 heeft de Wiener Landesregierung (autoriteit) het besluit van 11-03-2014 ingetrokken en de aanvraag van verzoekster tot toekenning van het Oostenrijkse burgerschap afgewezen op grond van § 10, lid 1, punt 6, van de Oostenrijkse nationaliteitswet (StbG). De autoriteit motiveerde haar besluit met het argument dat verzoekster, gelet op twee zwaarwegende administratieve overtredingen die zij na de toezegging voor de toekenning van het Oostenrijkse burgerschap had begaan en rekening houdend met de acht administratieve overtredingen die zij vóór deze toezegging had begaan, niet langer voldeed aan de toekenningsvoorwaarde van § 10, lid 1, punt 6, StbG. Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld bij het Verwaltungsgericht Wien, welke het beroep ongegrond heeft verklaard. Het Verwaltungsgericht motiveerde zijn beslissing in wezen op grond dat de toezegging van het Oostenrijkse staatsburgerschap ook overeenkomstig § 20, lid 2, StbG moet worden ingetrokken wanneer een weigeringsgrond zich pas voordoet na de overlegging van het bewijs betreffende het verlies van de bestaande nationaliteit, zoals in casu het feit dat de toekenningsvoorwaarde van § 10, lid 1, punt 6, StbG niet is vervuld. Na de toezegging voor de toekenning van het Oostenrijkse burgerschap werd verzoekster op grond van § 134 juncto § 36, van de motorvoertuigenwet bestraft wegens haar verzuim een aan de voorschriften beantwoordend keuringsvignet aan te brengen op het motorvoertuig – een overtreding die de handhaving van de motorvoertuigen- en wegverkeerwet zodanig kan hinderen dat de bescherming van de openbare verkeersveiligheid in het gevaar komt. Voorts heeft zij een motorvoertuig bestuurd onder invloed van alcohol. Ten slotte was er ook sprake van „ernstige strafbare feiten”, zodat de intrekking van de toezegging en de afwijzing van haar nationaliteitsaanvraag in het licht van het Verdrag tot beperking der staatloosheid evenredig waren. De voorwaarden voor de intrekking van de toezegging voor de toekenning van het Oostenrijkse staatsburgerschap overeenkomstig § 20, lid 2, StbG waren dus vervuld. Tegen deze uitspraak heeft verzoekster beroep tot „Revision” bij het Verwaltungsgerichtshof ingesteld.

 

Overweging:

De onderhavige zaak wordt gekenmerkt door de bijzonderheid dat verzoekster na de toezegging van het Oostenrijkse burgerschap afstand heeft gedaan van haar Estse nationaliteit, en dus ook van haar burgerschap van de Unie, en de toezegging vervolgens is ingetrokken. De gevaarinschatting door het Verwaltungsgericht kan, met name gelet op de administratieve strafbare feiten die in casu zowel na als reeds voor de toezegging voor toekenning door verzoekster zijn gepleegd, niet ter discussie worden gesteld. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de toekenning van het burgerschap het sluitstuk van een (geslaagde) integratie van de vreemdeling in Oostenrijk zou moeten vormen. Het is de vraag of ook op deze situatie het Unierecht van toepassing is wegens de aard en de gevolgen van die situatie, en of de autoriteit bij de vaststelling van een dergelijk besluit het Unierecht in acht moet nemen, hoewel verzoekster op het beslissende tijdstip van de intrekking van de toezegging geen burger van de Unie meer was en het litigieuze besluit niet tot het verlies van het burgerschap van de Unie leidde, maar tot het verlies van het voorwaardelijke recht op herkrijging van het Unieburgerschap waarvan zij eerder uit eigen beweging afstand had gedaan. Indien het Hof de eerste vraag bevestigend beantwoordt, rijst voor het Verwaltungsgerichtshof vervolgens de vraag of dit betekent dat de bevoegde nationale autoriteiten en rechterlijke instanties ten aanzien van dat besluit in de zin van de rechtspraak van het Hof moeten onderzoeken of de intrekking van de toezegging - die in de weg staat aan de herkrijging van het burgerschap van de Unie -, gelet op de gevolgen ervan voor de situatie van de betrokkene, vanuit het oogpunt van het Unierecht verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel.

 

Prejudiciële vragen:

1) Valt de situatie waarin een natuurlijke persoon die, zoals verzoekster tot „Revision” in het hoofdgeding, afstand heeft gedaan van zijn nationaliteit van één enkele lidstaat van de Europese Unie en dus ook van het burgerschap van de Unie, om de nationaliteit van een andere lidstaat te verkrijgen op grond van de toezegging van de door hem gevraagde toekenning van deze nationaliteit, en wiens mogelijkheid om het burgerschap van de Unie opnieuw te verkrijgen vervolgens door de intrekking van deze toezegging is ontnomen, binnen de werkingssfeer van het Unierecht wegens de aard en de gevolgen van die situatie, zodat bij de intrekking van de toezegging voor toekenning het Unierecht moet worden geëerbiedigd? Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt:

2) Moeten de bevoegde nationale autoriteiten en, in voorkomend geval, de nationale rechterlijke instanties in het kader van de beslissing over de intrekking van de toezegging voor de toekenning van de nationaliteit van de lidstaat vaststellen of de intrekking van de toezegging – waardoor het Unieburgerschap niet opnieuw kan worden verkregen –, gelet op de gevolgen daarvan voor de situatie van de betrokkene, vanuit het oogpunt van het Unierecht verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel? [Or. 2]

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-135/08), (C-221/17), TopFit en Biffi (C-22/18), C.I.L.F.I.T. e.a. (C-283/81)

Specifiek beleidsterrein: JenV, BZ