C-118/23 Getin Holding e.a.

Contentverzamelaar

C-118/23 Getin Holding e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:   10 mei 2023
Schriftelijke opmerkingen:                    26 juni 2023

Trefwoorden: effectieve rechtsbescherming, bankenunie, onafhankelijkheid afwikkelingsautoriteit

Onderwerp:

•            Artikel 85, leden 2 en 3, van richtlijn 2014/59/EU (herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen)

•            Artikel 47 Handvest (effectieve rechtsbescherming)

•            Artikel 3, lid 3, van richtlijn 2014/59/EU

Feiten:

De Poolse bank Getin Noble Bank is in 2021 onder verscherpt toezicht gesteld door de Poolse autoriteit voor financieel toezicht.

Toen de bank failliet dreigde te gaan, werd het Poolse bankgarantiefonds (afwikkelingsautoriteit) ingeschakeld. Dit fonds heeft in 2022 besloten dat Getin Noble Bank geherstructureerd moest worden, voornamelijk door afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten of in aanmerking komende passiva (klik hier voor meer achtergrond).

Tegen dit besluit is de Raad van Commissarissen van Getin in beroep gegaan bij de Poolse bestuursrechter. Daarnaast zijn ook andere partijen in beroep gegaan (eigenaren van afgeschreven aandelen, schuldeisers…etc.). In totaal gaat het om meer dan 7000 beroepen. Zij betwisten dat het Poolse bankgarantiefonds de regels voor afwikkeling van banken correct heeft toegepast.

Een belangrijk argument van partijen is dat het Poolse bankgarantiefonds niet onafhankelijk is, omdat dit fonds door de wetgever tegelijkertijd is belast met de rol van handhavingsautoriteit en die van bewindvoerder (curator) van de aan gedwongen herstructurering onderworpen bank.

Overweging:

Effectieve rechtsbescherming

In artikel 85, leden 2 en 3, van richtlijn 2014/59/EU is opgenomen dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat beroep kan worden ingesteld door personen die getroffen worden door een crisisbeheersingsmaatregel van een nationale afwikkelingsautoriteit.

In Polen is geregeld dat eenieder wiens juridisch belang door een besluit van het bankgarantiefonds is geschonden een recht van beroep heeft bij de bestuursrechter. De bestuursrechter kan echter alleen maar vaststellen of het besluit onrechtmatig is. Het besluit kan niet worden opgeschort of ingetrokken. De uitspraak van de bestuursrechter zal dus niet direct van invloed zijn op de rechten en verplichtingen van de partijen.

De Poolse rechter vraag zich af of dit een effectieve rechtsingang is. De partijen kunnen wellicht hun rechten effectiever laten beschermen in andere gerechtelijke procedures, zoals de civiele rechter. De kring van personen nu zo groot, dat dit gevolgen zal hebben voor de effectieve rechterlijke bescherming. Het is volgens de verwijzende rechter zinvoller (en niet in strijd met effectieve rechtsbescherming) als de bestuursrechter alleen uitspraak doet in het beroep van de RvC van Getin Noble Bank, zonder de aanwezigheid van andere partijen (eerste vraag).

Daarnaast heeft de verwijzende rechter ook vraagtekens (tweede vraag) bij een regel in het Poolse procesregels op grond waarvan hij verplicht is om de zaken te voegen. Dit kan ertoe leiden dat hij de zaak niet binnen een redelijke termijn van voeren, zoals artikel 85, lid 3, van richtlijn 2014/59 vereist (“de lidstaten dragen er zorg voor dat de rechterlijke toetsing snel wordt afgerond”)

Onafhankelijkheid bankgarantiefonds

Artikel 3, lid 3, van richtlijn 2014/59 vereist dat de lidstaten passende structurele regelingen treffen om de operationele onafhankelijkheid te waarborgen en belangenconflicten te vermijden tussen de toezichtfuncties op grond van verordening nr. 575/2013 en richtlijn 2013/36 of de andere functies van de betrokken autoriteit, en de functies van de afwikkelingsautoriteit.

In Polen is in beginsel geen sprake van cumulatie van de toezichts- en afwikkelingsfuncties binnen één autoriteit. Echter, de afwikkelingsautoriteit heeft de taak om garant te staan voor deposito’s en kan optreden als curator (tijdelijk bewindvoerder) van de bank. Deze taken staan onder het toezicht van de Poolse financiële toezichthouder.

De verwijzende rechter wil daarom weten of de functie van wettelijke garant van bankdeposito’s en die van curator van een bank „andere functies” of „toezichtfuncties” zijn als bedoeld in artikel 3, lid 3, van de richtlijn (derde vraag).

Vervolgens gaat de verwijzende rechter uitgebreid in op de Poolse regeling voor het bankgarantiefonds en stelt vast dat Polen geen passende structurele regelingen heeft getroffen om de operationele onafhankelijkheid te garanderen en belangenconflicten tussen de toezichtfuncties ingevolge verordening nr. 575/2013 en richtlijn 2013/36 of andere functies van de betrokken autoriteit en de functies van de afwikkelingsautoriteit te vermijden. De vraag is in wezen of daarmee in strijd wordt gehandeld met artikel 3, lid 3, van richtlijn 2014/59. (vierde vraag)

Prejudiciële vragen:

1 Moet artikel 85, leden 2 en 3, van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietentiteiten en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190, zoals gewijzigd), in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (PB 2016, C 202, blz. 391) en artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (PB 2016, C 202, blz. 16, zoals gewijzigd) aldus worden uitgelegd dat, wanneer de raad van commissarissen van een entiteit die wordt geherstructureerd beroep instelt bij een nationale bestuursrechter tegen een besluit betreffende gedwongen herstructurering, ook een doeltreffend beroep in rechte wordt geacht open te staan voor de personen die hun juridische belang trachten te beschermen door dit besluit aan te vechten, wanneer de rechter bij de toetsing van het bestreden besluit niet gebonden is aan de middelen en conclusies van het beroep noch aan de aangevoerde rechtsgrondslag, en wanneer een naar aanleiding van de behandeling van dit beroep gewezen eindbeslissing erga omnes werking heeft en de mogelijkheid voor deze personen om bescherming van hun juridische belangen te verkrijgen niet afhankelijk is van de voorwaarde dat zij afzonderlijk tegen dat besluit opkomen voor een bestuursrechter?

2 Moeten artikel 85, lid 3, van richtlijn 2014/59, waarbij een vereiste van rechterlijke toetsing wordt ingevoerd, alsook artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, die voorzien in effectieve rechtsbescherming, aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de toepassing van een procedurele bepaling van een lidstaat die de nationale bestuursrechter verplicht om alle beroepen die bij hem tegen een besluit van de afwikkelingsautoriteit zijn ingesteld gezamenlijk te behandelen, wanneer de toepassing van die bepaling, in samenhang met andere vereisten van het nationale bestuursprocesrecht, meebrengt dat het uiterst moeilijk, zo niet onmogelijk, kan blijken om, gelet op het hoge aantal dergelijke beroepen, de zaak binnen een redelijke termijn af te doen?

3 Moet artikel 3, lid 3, van richtlijn 2014/59 aldus worden uitgelegd dat het een lidstaat toestaat om – met het doel de operationele onafhankelijkheid te garanderen en belangenconflicten te vermijden – geen structurele scheiding aan te brengen tussen de functies van de afwikkelingsautoriteit en de andere functies van die autoriteit als wettelijke garant voor bankdeposito’s of als bankcurator (tijdelijk bewindvoerder) na benoeming krachtens een besluit van de nationale toezichthoudende autoriteit op grond van verordening (EU) nr. 575/2013 en richtlijn 2013/36/EU?

4 Moet artikel 3, lid 3, van richtlijn 2014/59 aldus worden uitgelegd dat, indien een lidstaat geen passende structurele regelingen heeft getroffen om de operationele onafhankelijkheid te garanderen en belangenconflicten tussen de toezichtfuncties ingevolge verordening nr. 575/2013 en richtlijn 2013/36 of andere functies van de betrokken autoriteit en de functies van de afwikkelingsautoriteit te vermijden, de voorwaarde van operationele onafhankelijkheid en vermijding van belangenconflicten als vervuld kan worden beschouwd indien de nationale bestuursrechter die het besluit betreffende gedwongen herstructurering toetst, ervan overtuigd is dat de andere toegepaste organisatorische maatregelen en feitelijke handelingen van de afwikkelingsautoriteit volstonden om dat resultaat te bereiken? 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN, JenV, BZ