C-122/21 Get Fresh Cosmetics

Contentverzamelaar

C-122/21 Get Fresh Cosmetics

Prejudiciële hofzaak C-122/21 Get Fresh Cosmetics

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     20 april 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     6 juni 2021

Trefwoorden : cosmetische producten; artikelen met misleidend uiterlijk; gevaar gezondheid en veiligheid consument; bewijs

Onderwerp :

-           Verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten;

-           Richtlijn 87/357/EEG van de Raad van 25 juni 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende artikelen die door een misleidend uiterlijk een gevaar vormen voor de gezondheid of de veiligheid van de consument.

Feiten:

De nationale autoriteit voor de bescherming van consumentenrechten heeft op 29-08-2018 bij de bestreden besluiten vastgesteld dat een aantal cosmetische producten van Get Fresh Cosmetics (verzoekster) niet voldoen aan de vereisten van art. 3(a) en art. 20(1) van verordening 1223/2009 omdat zij eruitzagen als levensmiddelen en door dit misleidend uiterlijk een gevaar vormden voor de gezondheid en veiligheid van consumenten, in het bijzonder kinderen en ouderen. Bij de bestreden besluiten heeft de autoriteit verzoekster onder meer verboden de producten nog langer in de handel te brengen. Verzoekster heeft de rechter verzocht de besluiten nietig te verklaren. Die vordering werd gedeeltelijk toegewezen en de autoriteit werd gelast opnieuw te overwegen of de producten voldeden aan de vereisten. De autoriteit heeft daarop hoger beroep ingesteld. Dat hoger beroep is gedeeltelijk toegewezen en de zaak is voor heroverweging terugverwezen. Verzoekster’s vordering is vervolgens ongegrond verklaard. Daarop heeft verzoekster hoger beroep ingesteld. Verzoekster stelt o.a. dat art. 1 van richtlijn 87/357/EEG onjuist is uitgelegd.

Overweging:

De inhoud van art. 1(2) van richtlijn 87/357/EEG is niet uitgelegd in de rechtspraak van het Hof. In dat licht vraagt de verwijzende rechter zich af of o.g.v. deze bepaling het vermoeden geldt dat cosmetische producten die er door hun vorm, geur, aanzien of grootte uitzien als levensmiddelen, niet als zodanig mogen worden gebruikt omdat zij de gezondheid van de consument in gevaar kunnen brengen, zodat dus niet hoeft te worden bewezen dat de consumptie van deze artikelen gevaarlijke gevolgen voor de gezondheid van de consument kan hebben. Indien art. 1(2) van richtlijn 87/357/EEG moet worden uitgelegd dat niet alleen moet worden vastgesteld dat de artikelen op levensmiddelen lijken, maar ook dat objectief en onderbouwd bewijs moet worden geleverd dat er gevaar bestaat voor de gezondheid en veiligheid van de consument wanneer ten gevolge van die verwarring deze artikelen in de mond worden gestoken, worden opgezogen of ingeslikt, rijst de vraag of de bewijslast in deze op de bevoegde toezichthoudende autoriteit rust.

Prejudiciële vragen:

1) Dient artikel 1, lid 2, van richtlijn 87/357/EEG van de Raad van 25 juni 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende artikelen die door een misleidend uiterlijk een gevaar vormen voor de gezondheid of de veiligheid van de consument, aldus te worden uitgelegd dat deze bepaling de in lid 1 van dit artikel bedoelde artikelen definieert als artikelen die, hoewel zij geen levensmiddelen zijn, een vorm, geur, kleur, aanzien, verpakking of etikettering hebben dan wel van zodanige omvang of grootte zijn, dat verwacht kan worden dat consumenten, met name kinderen, ze verwarren met levensmiddelen en ze daardoor in de mond steken, opzuigen of inslikken, terwijl dit volgens objectieve en onderbouwde gegevens het gevaar kan opleveren van onder meer verstikking, vergiftiging, perforatie of verstopping van het spijsverteringskanaal?

2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, rust de desbetreffende bewijslast dan op de bevoegde toezichthoudende autoriteit van de lidstaat?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Fédération des entreprises de la beauté, C-13/17.

Specifiek beleidsterrein: VWS