C-125/23 Unedic 

Contentverzamelaar

C-125/23 Unedic 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    25 april 2023
Schriftelijke opmerkingen:                    11 juni 2023

Trefwoorden: Bescherming van de werknemer bij insolventie van de werkgever – waarborgfonds – gelijkheidsbeginsel

Onderwerp: Nationaal recht op grond waarvan een waarborgfonds alleen optreedt wanneer de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever of een van de instanties in de insolventieprocedure wordt beëindigd.

Feiten: de verzoekers V, W, X, Y en Z zijn door de vennootschap K aangesteld op verschillende werkplekken d.m.v. deeltijdovereenkomsten voor bepaalde tijd. Op 26 juni 2018 is tegen de vennootschap K een saneringsprocedure ingeleid. Op 9 juli 2018 hebben verzoekers besloten hun arbeidsovereenkomsten te beëindigen middels een zogenoemde “prise d’acte”. Bij uitspraak van 24 juli 2018 heeft de tribunal de commerce (handelsrechter) het faillissement van de vennootschap K uitgesproken.

In geschil bij de verwijzende rechter is of de aanspraken van verzoekers, die zijn ontstaan door beëindiging van de arbeidsovereenkomst als gevolg van de “prise d’acte” van verzoekers, door het AGS-CGEA moeten worden gewaarborgd.

Overweging

•            Naar Frans recht kan het AGS-CGEA aanspraken die voortvloeien uit de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tijdens een insolventieprocedure enkel honoreren wanneer de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever wordt beëindigd, of door een van de instanties in de insolventieprocedure.

•            Wanneer de beëindiging in een insolventieperiode plaatsvindt, blijken de richtlijn en de rechtspraak van het Hof van Justitie daarentegen de tussenkomst van het waarborgfonds voor de vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsverhouding niet uit te sluiten door in aanmerking te nemen wie de arbeidsovereenkomst verbreekt, en niet toe te staan dat het waarborgfonds alleen optreedt wanneer de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever of een van de instanties in de insolventieprocedure wordt beëindigd.

•            Blijkens de overwegingen in de considerans voorziet de betrokken richtlijn in een algemeen beginsel van een minimum aan bescherming van werknemers tegen de insolventie van de werkgever zonder deze waarborg te beperken aan de hand van wie de overeenkomst beëindigt.

•            Voorts lijkt artikel 4 van de richtlijn de lidstaten niet toe te staan om de betalingsverplichting van de waarborgfondsen alleen te beperken tot een aantal tijdvakken. Een a-contrario uitlegging van dit artikel lijkt de lidstaten niet toe te staan om de waarborg te beperken naargelang van de persoon die de arbeidsovereenkomst beëindigt.

•            Bovendien bepaalt artikel 11 van de richtlijn dat deze richtlijn geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de lidstaten om wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe te passen of in te voeren die gunstiger zijn voor de werknemers. Daarom kan alleen van de bepalingen van de richtlijn worden afgeweken wanneer dit voor de werknemers gunstiger is.

•            Bovendien preciseert artikel 12 van de richtlijn dat deze richtlijn geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de lidstaten om o.a. misbruik te voorkomen. Deze afwijking lijkt niet toe te staan om de tussenkomst van het waarborgfonds te beperken naargelang van de persoon die de arbeidsovereenkomst beëindigt.

•            Ten slotte heeft het Hof van Justitie in het arrest van 17 januari 2008 (zaak C-246/06, Velasco Navarro) geoordeeld dat de nationale rechter de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling moet uitleggen met inachtneming van de algemene beginselen en grondrechten, zoals uitgelegd door het Hof, en met name het gelijkheidsbeginsel, dat vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld tenzij dit objectief gerechtvaardigd is (punten 35 en 36).

•            Door het ontbreken van horizontale rechtstreekse werking van richtlijnen waardoor particulieren daadwerkelijk de door de bepalingen van de richtlijn verleende rechten kunnen verkrijgen, staat het in beginsel aan de rechter van de lidstaten om het nationale recht uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijnen, teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken.

•            Het lijkt dan ook legitiem zich af te vragen of de richtlijn aldus kan worden uitgelegd dat deze toestaat dat bij beëindiging van een arbeidsovereenkomst tijdens een insolventieperiode de tussenkomst van het waarborgfonds voor de vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsverhouding wordt beperkt door in aanmerking te nemen wie de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd, of deze uitlegging een verschillende behandeling van werknemers met zich meebrengt, en of deze verschillende behandeling, indien daarvan sprake is, objectief gerechtvaardigd is.

Prejudiciële vragen:

1. Kan richtlijn 2008/94/EG van het Europees parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever aldus worden uitgelegd dat zij toestaat dat wordt uitgesloten dat het waarborgfonds de vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsverhouding honoreert wanneer een werknemer akte neemt (prend acte) van de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst na de opening van een insolventieprocedure?

2. Is deze uitlegging in overeenstemming met de bewoordingen en het doel van deze richtlijn en kan daarmee de door deze richtlijn beoogde resultaten worden bereikt?

3. Brengt deze uitlegging, die is gebaseerd op wie de arbeidsovereenkomst tijdens de insolventieperiode beëindigt, een verschillende behandeling van werknemers met zich mee?

4. Is deze verschillende behandeling, indien daarvan sprake is, objectief gerechtvaardigd?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: zaak C-246/06, EU:C:2008:19.

Specifiek beleidsterrein: SZW

Gerelateerde documenten