C-129/20 Caisse pour l'avenir des enfants

Contentverzamelaar

C-129/20 Caisse pour l'avenir des enfants

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     13 mei 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     29 juni 2020

Trefwoorden : arbeidsrecht; ouderschapsverlof

Onderwerp :

-           Richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof;

 

Feiten:

Verzoekster (XI) is op 04-03-2012 bevallen van een tweeling en werkte destijds niet. Zij heeft op 15-09-2012 en 01-08-2013 contracten voor bepaalde tijd in het schoolonderwijs gesloten. Vervolgens heeft XI op 15-09-2014 een contract voor onbepaalde tijd (in het schoolonderwijs) gesloten. Op 11-03-2015 diende ze een aanvraag voor ouderschapsverlof in (met ingang van 15-09-2015). Deze aanvraag werd afgewezen omdat zij op het moment van geboorte geen werknemer was. De Arbitrageraad voor sociale verzekeringen verklaarde dit besluit nietig en oordeelde dat de nationaalrechtelijke bepaling op grond waarvan tewerkstelling op de dag van de geboorte vereist is in casu buiten toepassing gelaten moet worden (clausules 1 en 2 van de raamovereenkomst). De beroepsrechter heeft dit vonnis vervolgens vernietigd en voegde toe dat de verenigbaarheid met het Unierecht van de voorwaarde van tewerkstelling gedurende een jaar niet hoefde te worden getoetst, aangezien het recht op ouderschapsverlof niet is ontstaan wat XI betreft. XI heeft daarop beroep in cassatie ingesteld en verwijt de beroepsrechter te hebben geweigerd te toetsen of artikel 29 bis van de wet tot vaststelling van het algemeen statuut van de ambtenaren verenigbaar is met clausule 2.3b) van de raamovereenkomst, die voorziet in een voorwaarde van tewerkstelling gedurende ten hoogste een jaar, en aldus te hebben geweigerd deze laatste voorwaarde toe te passen.

 

Overweging:

De vraag rijst of clausules 1 en 2 van de richtlijn zich verzetten tegen de toepassing van artikel 29 bis van de wet tot vaststelling van het algemeen statuut van de ambtenaren. De uitlegging van het Unierecht is bepalend voor de beslechting van het geding en de juiste toepassing van het Unierecht is niet zo evident dat er geen redelijke twijfel bestaat omtrent de oplossing van de vraag die niet eerder in een vergelijkbare zaak onderwerp is geweest van een prejudiciële beslissing. De verwijzende rechter gaat daarom over op het stellen van prejudiciële vragen.

 

Prejudiciële vraag:

Moeten de clausules 1.1., 1.2. en 2.1., 2.3.b) van de op 14 december 1995 door de algemene branchorganisaties UNICE, CEEP, en EVV gesloten raamovereenkomst, tenuitvoergelegd bij richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof (Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen L 145 van 19.6.96, blz. 4), aldus worden uitgelegd dat ze zich verzetten tegen de toepassing van een nationaalrechtelijke bepaling zoals artikel 29 bis van de gewijzigde wet van 16 april 1979 tot vaststelling van het algemeen statuut van de ambtenaren, in de versie die voortvloeit uit de wet van 22 december 2006 (Mémorial, A, 2006, nr. 242, blz. 4838), die de toekenning van ouderschapsverlof onderwerpt aan de dubbele voorwaarde dat de werknemer rechtmatig is tewerkgesteld en in die hoedanigheid is aangesloten bij de sociale verzekering, ten eerste, ononderbroken gedurende ten minste twaalf opeenvolgende maanden onmiddellijk voorafgaand aan het begin van het ouderschapsverlof en, ten tweede, op het moment van de geboorte of de opname van het (of de) te adopteren kind(eren), waarbij deze tweede voorwaarde zelfs moet zijn vervuld wanneer de geboorte of de opname meer dan twaalf maanden voor het begin van het ouderschapsverlof heeft plaatsgevonden?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: SZW