C-129/22 Stadt Offenbach am Main 

Contentverzamelaar

C-129/22 Stadt Offenbach am Main 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    25 april 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    11 juni 2022

Trefwoorden : derde landen, vreemdelingen, verblijfsvergunning, langdurig ingezetene

Onderwerp : Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen

Feiten:

Verzoeker, die op 01-04-1964 is geboren in Pakistan, is op 01-04-2014 Duitsland binnengekomen vanuit Italië. Hij is in het bezit van een verblijfsvergunning, die ook de vermeldingen „illimitata” (onbepaalde tijd) en „soggiornante di lungo periodo-CE” (EU – langdurig ingezetene) bevat. Op zijn verzoek heeft de voorheen bevoegde immigratiedienst van de Landkreis Offenbach hem op 10-07-2014 een verblijfsvergunning overeenkomstig § 38a AufenthG verstrekt, die geldig was tot en met 09-07-2015. De verblijfsvergunning is doorlopend verlengd, voor het laatst op 28-05-2019 door de thans bevoegde Stadt Offenbach en tot en met 13-07-2021. Verzoeker is in het bezit van een paspoort dat geldig is tot en met 03-05-2025. Het verzoek om verlenging van de verblijfsvergunning is afgewezen bij beschikking van 27-04-2021. Als belangrijkste reden is aangevoerd dat verzoeker de status van langdurige ingezetene had verloren, aangezien hij langer dan zes jaar niet in Italië heeft verbleven.

Overweging:

In casu rijst de vraag of verzoeker, die bij de eerste afgifte van de verblijfsvergunning krachtens § 38a AufenthG op 10-07-2014 in het bezit was van een in Italië afgegeven EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, deze EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen ook nog op het tijdstip van de verlenging moet bezitten. Het beroep zou immers slagen wanneer verzoeker uitsluitend bij de eerste afgifte zijn status van langdurig ingezetene zou moeten bewijzen. Het beroep zou echter eveneens slagen wanneer verzoeker alleen een geldige verblijfsvergunning moet tonen waaruit het bezit van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen krachtens artikel 8, lid 2, van richtlijn 2003/109/EG blijkt, teneinde het bezit van de status van langdurig ingezetene te bewijzen. Aangezien verzoeker in het bezit is van een voor onbepaalde tijd afgegeven EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, zou hij het bewijs hebben geleverd in het bezit te zijn van deze status, ongeacht het feit dat hij gedurende zes jaar niet heeft verbleven op het grondgebied van de lidstaat die hem deze status heeft toegekend. Voor zover de tweede lidstaat in het kader van de verlenging van de verblijfsvergunning niet gebonden is, wat het bezit van de status van langdurig ingezetene betreft, aan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd die krachtens artikel 8, lid 2, van richtlijn 2003/109/EG in de eerste lidstaat is afgegeven , rijst de vraag of hij bevoegd is het verlies van de status waarin artikel 9, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2003/109/EG voorziet te onderzoeken, en eventueel de verlenging van de verblijfsvergunning krachtens § 38a AufenthG te weigeren. Indien de tweede lidstaat bevoegd is het verlies van de status van langdurig ingezetene in de eerste lidstaat te onderzoeken, rijst vervolgens de vraag of Duitsland de bepalingen van de richtlijn voor een dergelijk onderzoek naar behoren heeft omgezet.

Prejudiciële vragen:

1. Kan een onderdaan van een derde land die van een eerste lidstaat (in casu: Italië) de status van langdurig ingezetene heeft verkregen krachtens richtlijn 2003/109/EG, van de tweede lidstaat (in casu: Duitsland) de verlenging eisen van een aldaar aan hem met toepassing van artikel 14 en volgende van richtlijn 2003/109/EG toegekende verblijfsvergunning, zonder het bewijs te leveren van het voortbestaan

van de status van langdurig ingezetene?

Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord:

2. Moet in de tweede lidstaat reeds van het voortbestaan van de status van langdurig ingezetene worden uitgegaan om de enkele reden dat de onderdaan van een derde land in het bezit is van een door de eerste lidstaat voor onbepaalde tijd afgegeven EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, ook al heeft hij gedurende zes jaar niet verbleven op het grondgebied van de lidstaat die hem deze status heeft verleend?

Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord:

3. Is de tweede lidstaat bevoegd om in het kader van de verlenging van de verblijfsvergunning het verlies van de status van langdurig ingezetene volgens artikel 9, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2003/109/EG te onderzoeken en eventueel de verlenging te weigeren, of is het de eerste lidstaat die bevoegd is om het latere verlies van deze status vast te stellen?

Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord:

4. Is het in dat geval voor het onderzoek van de reden van verlies waarin artikel 9, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2003/109/EG voorziet, noodzakelijk dat deze bepaling aldus in nationaal recht is omgezet dat de feiten die tot het verlies van de status van langdurig ingezetene in de eerste lidstaat leiden, worden gespecificeerd, of volstaat het dat het nationale recht zonder concrete verwijzing naar de richtlijn bepaalt dat de tweede lidstaat de verblijfsvergunning mag weigeren „wanneer de vreemdeling zijn status van langdurig ingezetene in een andere lidstaat van de Europese Unie verliest”?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV-DMB