C-130/20 INSS

Contentverzamelaar

C-130/20 INSS

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     1 mei 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     17 juni 2020

Trefwoorden : gelijke behandeling, sociale zekerheid, vervroegde uittreding

Onderwerp :

•          Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid

•          Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep

 

Feiten:

Verzoekster, geboren in december 1954, heeft op 02-12-2017 ouderdomspensioen aangevraagd. Op 11 december is besloten haar een pensioen toe te kennen met toepassing van 86% van het maximumpensioen. Dit percentage resulteerde uit een vermindering met 0,5% van het pensioenpercentage voor elke drie maanden dat verzoekster voor het bereiken van de gewone pensioengerechtigde leeftijd was uitgetreden. Het pensioen kwam uiteindelijk uit op €2470,75 per maand, uit te keren met ingang van 04-12-2017. Verzoekster heeft bezwaar aangetekend tegen dit besluit, in de opvatting dat zij recht heeft op moederschapstoeslag op haar pensioen. Gezien zij drie kinderen heeft moet volgens verzoekster het pensioen worden aangevuld met 10%. Het INSS (verweerder) heeft haar bezwaar afgewezen, waarna verzoekster een vordering heeft ingesteld tot toekenning van de zogeheten moederschapstoeslag zoals bedoeld in artikel 60 LGSS, dat voorziet in een verhoging met 5% tot 15% van de uitkering wegens blijvende arbeidsongeschiktheid, pensionering of weduwschap voor vrouwen met twee of meer kinderen. Verzoekster stelt dat de rechtvaardiging voor de toeslag zoals door de wetgever is uitgewerkt, leidt tot discriminatie van vrouwen die een effectieve bijdrage aan het socialezekerheidsstelsel hebben geleverd en vanwege hun vrijwillige vervroegde uittreding niet in aanmerking kunnen komen voor de toeslag. Daarnaast voert verzoekster aan dat de huidige inhoud van artikel 60 LGSS in strijd is met (het doel van) richtlijn 2006/54/EG. Het doel van de Unieregeling is het terugdringen van de genderkloof op het gebied van staatspensioenen. Het INSS betoogt daarentegen dat het doel van het niet toekennen van de moederschapstoeslag aan vrijwillig vervroegd uitgetreden vrouwen erin is gelegen te voorkomen dat o.a. ondernemingen de toegang tot de vervroegde uittreding aanmoedigen van vrouwelijke werknemers met een pensioengrondslag die hoger is dan het maximumpensioen, aangezien die werknemers niet worden benadeeld door de verminderingscoëfficiënten.

 

Overweging:

De verwijzende rechter vraagt zich af of, aangezien artikel 60, lid 4, LGSS een deel van de uittredende vrouwen uitsluit, in concreto vrouwen die vervroegd uittreden, en ondanks het feit dat die uittreding in alle gevallen en te allen tijden vrijwillig is, als discriminerend kan worden gezien in de zin van richtlijn 7/79, aangezien deze uitsluiting volgens de verwijzende rechter onredelijk en ongerechtvaardigd is. De verwijzende rechter hanteert een ruime opvatting van de Europese regeling die gelijke behandeling waarborgt. Dat wil zeggen gelijke behandeling van mannen en vrouwen, maar ook van vrouwen onderling.

 

Prejudiciële vragen:

Kan een regeling als artikel 60, lid 4, van de Ley General de la Seguridad Social (Spaanse algemene wet op de sociale zekerheid), die vrouwen die vrijwillig vervroegd uittreden uitsluit van de moederschapstoeslag, terwijl die uitsluiting niet geldt voor vrouwen die eveneens vrijwillig, maar op de gewone wettelijke leeftijd uittreden, of die vervroegd uittreden vanwege de arbeid die zij gedurende hun werkzame leven hebben verricht, vanwege arbeidsongeschiktheid, of vanwege het feit dat zij voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zijn gestopt met werken om redenen die niet aan henzelf zijn toe te schrijven, worden beschouwd als directe discriminatie in de zin van richtlijn 79/7?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Grupo Norte Facility C-574/16, C-450/18,

Specifiek beleidsterrein: SZW