C-131/22 flightright

Contentverzamelaar

C-131/22 flightright

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    9 mei 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    25 juni 2022

Trefwoorden : compensatie luchtreizigers, buitengewone omstandigheden, onweer

Onderwerp :

Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91

Feiten:

De passagier had een vlucht bij verweerster geboekt, die door haar was bevestigd. Vlucht LX1077 van Frankfurt am Main naar Zürich (Zwitserland) zou op 06-07-2017 om 20:50 uur vertrekken en om 21:45 uur aankomen. Feitelijk werd de vlucht geannuleerd omdat de daaraan voorafgaande vlucht LX1076 uit Zürich rechtsomkeer maakte zonder zoals gepland (vertraagd) om 21.10 uur in Frankfurt te landen. Het alsnog uitvoeren van de vlucht was toen niet meer mogelijk voor het begin van het verbod op nachtvluchten in Frankfurt am Main. De passagier werd vervoerd op een andere vlucht op 07-07-2017 om 6:52 uur. Verweerster stelt dat vlucht LX1076 een latere slot kreeg toegewezen wegens weersgebonden beperkingen van de exploitatie van de luchthaven als gevolg van hevige onweersactiviteit boven de luchthaven van Frankfurt am Main. Bij het naderen van Frankfurt was geen toestemming tot landen verleend, omdat het vliegverkeer in Frankfurt am Main was opgeschort wegens blikseminslag.

Overweging:

De beslissing hangt af van de vraag of, zoals verweerster betoogt, sprake is van een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5 van de verordening. Weersomstandigheden die de uitvoering van een vlucht verhinderen, kunnen volgens de wetgever reeds buitengewone omstandigheid vormen. Dit lijkt redelijk, aangezien de luchtvaartmaatschappij geen invloed kan uitoefenen op het weer. Het loutere bestaan van een buitengewone omstandigheid ontslaat de luchtvaartmaatschappij echter nog niet van haar aansprakelijkheid voor compensatie, aangezien zij ook verplicht is de gevolgen van een buitengewone omstandigheid te voorkomen door redelijke maatregelen te treffen. Hetzelfde geldt voor de in overweging 15 bedoelde besluiten van het luchtverkeersbeheer. De luchtvaartmaatschappij dient zich te houden aan de aanwijzingen van het luchtverkeersbeheer. Er bestaat twijfel over de vraag of het volstaat dat de weersomstandigheden van invloed waren op de geplande uitvoering van de vlucht of dat door het luchtverkeersbeheer een besluit over een vlucht is genomen. Overeenkomstig de bewoordingen van artikel 5, lid 3, van de verordening zullen de weersomstandigheden en het besluit veeleer van uitzonderlijke aard moeten zijn. De uitzonderlijkheid van weersomstandigheden zou gezien de wereldwijde variatie van de klimatologische omstandigheden op regionale en seizoensbasis kunnen worden beoordeeld. De luchtvaartmaatschappij die vluchten uitvoert in regio’s of op tijdstippen met bijzondere weersverschijnselen, neemt dan bewust het risico te worden getroffen door wat dan slechts nog een gewone omstandigheid is. In dit geval werd noch uiteengezet, noch is duidelijk dat het onweer in Frankfurt am Main in juli en de daaruit voortvloeiende besluiten van het luchtverkeersbeheer uitzonderlijk van aard waren.

Prejudiciële vragen:

1. Is er sprake van een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van de verordening wanneer zich weersomstandigheden voordoen die de uitvoering van een vlucht verhinderen, ongeacht de specifieke aard ervan?

2. Indien de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord, kan dan aan de hand van de regionale en seizoensgebonden frequentie van weersomstandigheden op de plaats en het tijdstip waarop zij zich voordoen worden bepaald of zij buitengewoon zijn?

3. Is er sprake van een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van de verordening wanneer een besluit van het luchtverkeersbeheer voor een specifiek vliegtuig op een specifieke dag een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van een of meer vluchten van dat vliegtuig veroorzaakt, ongeacht de reden voor dat besluit?

4. Indien de derde vraag ontkennend moet worden beantwoord, moet de reden voor het besluit op zijn beurt uitzonderlijk zijn, zodat niet te verwachten is dat deze zich zal voordoen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:  (C-549/07), ÖBB-Personenverkehr  (C-509/11)

Specifiek beleidsterrein: IenW