C-134/20 Volkswagen

Contentverzamelaar

C-134/20 Volkswagen

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     7 juli 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     23 augustus 2020

Trefwoorden : motorvoertuigen; emissies;

Onderwerp :

Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie;

 

Feiten:

Verzoekster heeft in 2013 een VW-voertuig gekocht. Verweerster is de moedermaatschappij van het VW-concern met hoofdzetel in Duitsland. In de herfst van 2015 is zij wereldwijd in opspraak geraakt door het zogenoemde “emissieschandaal met dieselvoertuigen”. Bij de aankoop heeft verzoekster veel belang gehecht aan het verwerven van een dieselvoertuig met een zuinig verbruik. Had verzoekster geweten dat het litigieuze voertuig wegens de manipulatiesoftware niet aan de wettelijke vereisten voldeed, zou zij het litigieuze voertuig niet hebben gekocht. Verzoekster is uitgenodigd om een update te laten installeren

die de manipulatiesoftware verwijdert. Na deze update is de EGR-klep, een onderdeel dat op de emissies van invloed kan zijn, zo ontworpen dat slechts tussen 15 en 33 graden Celsius en alleen onder 1.000 meter hoogte een emissiearme werking is gewaarborgd (thermovenster). Het Duits federaal bureau voor het motorvoertuigenverkeer (KBA) heeft toelating gegeven voor een technische aanpassing – in feite de update – en de typegoedkeuring niet ingetrokken.

 

Overweging:

De prejudiciële vragen werden gesteld omdat in de onderhavige context geen (vaste) rechtspraak van het Hof beschikbaar is over de uitlegging van artikel 5(1) van verordening 715/2007. In Oostenrijk zijn bij een groot aantal rechters gelijksoortige vorderingen aangebracht. Uit deze procedures is tevens gebleken dat ook rechters van andere lidstaten zich thans over dit onderwerp moeten buigen. De gestelde vragen zouden dan ook rechtsgevolgen voor de gehele Europese Unie kunnen hebben.

 

Prejudiciële vragen:

a) Dient artikel 5, lid 1, van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie aldus te worden uitgelegd dat een uitrusting van een voertuig, in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 715/2007, niet is toegestaan wanneer de uitlaatgasrecirculatieklep, en dus een onderdeel dat van invloed kan zijn op de emissies, zo is ontworpen dat de  recirculatieverhouding van het uitlaatgas, dat wil zeggen het aandeel van het uitlaatgas dat wordt teruggevoerd, derwijze wordt geregeld dat de klep slechts tussen 15 en 33 graden Celsius en alleen onder 1 000 meter hoogte een emissiearme werking waarborgt en de verhouding buiten dit temperatuurvenster binnen een bereik van 10 graden Celsius en boven 1 000 meter hoogte binnen een interval van 250 meter lineair tot 0 wordt herleid, met als resultaat dat de NOx-uitstoot de grenswaarden van verordening nr. 715/2007 overschrijdt?

b) Is het voor de beoordeling van vraag a) van belang of de in vraag a) bedoelde uitrusting van het voertuig noodzakelijk is om de motor tegen schade te beschermen?

c) 1s het voor de beoordeling van vraag b) verder van belang of het onderdeel van de motor dat tegen schade moet worden beschermd, de uitlaatgasrecirculatieklep is?

d) Is het voor de beoordeling van vraag a) van belang of de in vraag a) bedoelde uitrusting van het voertuig reeds bij de bouw van het voertuig werd geïnstalleerd dan wel of de in vraag a) beschreven regeling van de uitlaatgasrecirculatieklep in het voertuig moet worden geïnstalleerd in de vorm van een herstelling in de zin van artikel 3, lid 2, van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: IenW