C-136/20 LU

Contentverzamelaar

C-136/20 LU

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    14 mei 2020
Schriftelijke opmerkingen:                    30 juni 2020

Trefwoorden : wederzijdse erkenning; sancties; verkeer

Onderwerp :

-           Kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (hierna: kaderbesluit);

 

Feiten:

Het districtsbestuur Weiz (Oostenrijk) heeft LU (Hongaars onderdaan) een geldelijke sanctie van €80,- opgelegd omdat LU als houder van het betrokken voertuig - ondanks daartoe door de autoriteit te zijn gesommeerd - verzuimd had om mee te delen wie het voertuig op 28-12-2017 om 14.21 uur in de gemeente Gleisdorf (Oostenrijk) had bestuurd of geparkeerd. Op 27-01-2020 is bij de verwijzende rechter een verzoek van het districtsbestuur Weiz binnengekomen. Naar aanleiding van dit verzoek is een procedure tot tenuitvoerlegging van een geldelijke sanctie ingesteld tegen LU (op grond van wet nr. CLXXX van 2012 betreffende de samenwerking in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie). De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat (Oostenrijk) heeft de onherroepelijke beslissing en het in de bijlage van het kaderbesluit vastgestelde certificaat aan de relatief bevoegde verwijzende rechter toegezonden teneinde de opgelegde geldelijke sanctie ten uitvoer te leggen.

 

Overweging:

In casu vindt de sanctie haar grondslag in het verzet tegen het openbare gezag (verzuimen bekend te maken wie het voertuig heeft bestuurd). De vraag rijst of hier sprake is van een gedraging die in strijd is met de verkeersregels, dan wel van een gedraging die daarvan verder verwijderd ligt. Het onderzoek van deze vraag zou tot de conclusie kunnen leiden dat de betrokken gedraging niet overeenkomt met de in het kaderbesluit omschreven gedraging. De verwijzende rechter is van oordeel dat vastgesteld kan worden dat een dergelijke omschrijving van de gesanctioneerde gedraging op een te ruime uitlegging van het Unierecht berust die niet strookt met de oorspronkelijke doelstelling van het kaderbesluit. De verwijzende rechter gaat daarom over op het stellen van de prejudiciële vragen.

 

Prejudiciële vragen:

1/A. Dient de regel van artikel 5, lid 1, van kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties aldus te worden uitgelegd dat indien de beslissingsstaat melding heeft gemaakt van een van de in dat lid opgesomde gedragingen, de autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat geen enkele discretionaire ruimte heeft om de tenuitvoerlegging te weigeren en dus verplicht is de beslissing uit te voeren?

1/B. Indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord, kan de autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat zich dan op het standpunt stellen dat de in de beslissing van de beslissingsstaat vermelde gedraging niet overeenkomt met de gedraging die in de opsomming is omschreven?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-671/18; C-60/12;

Specifiek beleidsterrein: JenV; IenW