C-141/22 TLL The Longevity Labs   

Contentverzamelaar

C-141/22 TLL The Longevity Labs   

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    27 april 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    13 juni 2022

Trefwoorden : voedingsmiddelen;

Onderwerp :

•          Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende nieuwe voedingsmiddelen;

Feiten:

Verzoekster en verweerster, waarvan verweerder bestuurder is, houden zich bezig met de verkoop van voedingssupplementen en zijn dus concurrenten van elkaar. Verweerster verkoopt het voedingssupplement „go Optimize Spermidine”, dat bestaat uit meel van boekweitkiemen (hierna: „boekweitmeel”) met een hoog gehalte aan spermidine. Zij beschikt niet over een vergunning voor het product als nieuw voedingsmiddel in de zin van verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende nieuwe voedingsmiddelen (hierna: „verordening 2015/2283”). Spermidine is een biogeen polyamine dat in verschillende concentraties voorkomt in de cellen van alle organismen. Bij de bereiding van verweersters product wordt boekweitzaad door middel van hydrocultuur ontkiemd tot scheuten in een nutriëntoplossing die synthetische spermidine bevat. Na de oogst worden de kiemen met water gewassen, gedroogd en tot kiemmeel vermalen. Tijdens het procedé groeien er niet meer kiemen dan er zaadkorrels worden gebruikt. Het spermidinegehalte van het boekweitmeel bedraagt 3,5 mg/g.

Overweging:

De verwijzende rechter twijfelt hoe hij verordening (EU) 2015/2283 moet uitleggen. Om te beginnen bestaat er geen duidelijk antwoord op de vraag of een hoog spermidinegehalte, dat zonder verdere verwerking niet voorkomt in gewone boekweit, op zich reeds ertoe leidt dat verweersters product een nieuw voedingsmiddel is, indien geen van de andere uitzonderingen van toepassing zijn (eerste vraag). Uitgelegd moet worden of een procedé in het kader van de primaire productie een productieprocedé is in de zin van deze bepaling (tweede vraag), dan wel of het alleen als nieuw moet worden beschouwd wanneer het nog niet op levensmiddelen is toegepast of dat enkel de productie van het betrokken levensmiddel van belang is (derde vraag). Indien dit niet het geval is, moet worden uitgelegd of het procedé waarbij boekweitkiemen in een nutriëntoplossing (met natuurlijke of synthetische spermidine) worden gelegd onder de primaire productie valt, zodat verordening 2015/2283 niet van toepassing zou zijn (vierde en vijfde vraag). Deze vragen zijn essentieel voor de beoordeling of het door verweerster verkochte product een nieuw voedingsmiddel is. Indien wordt bevestigd dat het om een nieuw voedingsmiddel gaat, had verweerster moeten verzoeken om toelating van een nieuw voedingsmiddel

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 3, lid 2, onder a), iv), van verordening (EU) [2015/2283] van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende nieuwe voedingsmiddelen aldus worden uitgelegd dat „meel van boekweitkiemen met een hoog spermidinegehalte” een nieuw voedingsmiddel vormt, wanneer alleen meel van boekweitkiemen zonder verhoogd spermidinegehalte binnen de Unie vóór 15 mei 1997 in significante mate voor menselijke voeding werd gebruikt of na die datum een geschiedenis van veilig gebruik als levensmiddel heeft, ongeacht de wijze waarop spermidine in het boekweitmeel terechtkomt?

2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 3, lid 2, onder a), vii), van verordening 2015/2283 aldus worden uitgelegd dat onder het begrip „productieprocedé van levensmiddelen” ook procedés van de primaire productie vallen?

3) Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: is voor het antwoord op de vraag of een productieprocedé nieuw is in de zin van artikel 3, lid 2, onder a), vii), van verordening 2015/2283 van belang of dat productieprocedé ofwel op zich nog niet voor enig levensmiddel ofwel niet voor het te beoordelen levensmiddel is gebruikt?

4) Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord: is het ontkiemen van boekweitzaad in een nutriëntoplossing die spermidine bevat een procedé van de primaire productie dat een plant betreft waarop de bepalingen van de levensmiddelenwetgeving, met name verordening 2015/2283, niet van toepassing zijn, aangezien de plant vóór de oogst ervan nog geen levensmiddel is [artikel 2, onder c), van verordening (EG) nr. 178/2002]?

5) Maakt het verschil of de nutriëntoplossing natuurlijke of synthetische spermidine bevat?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: