C-142/13 Bright Service

Contentverzamelaar

C-142/13 Bright Service
Prejudiciële Hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzignsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:  9 mei 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:  25 mei 2013
Schriftelijke opmerkingen:                  25 juni 2013
Trefwoorden: mededinging; kartelverbod; concurrentiebeding

Onderwerp:
- Artikel 101.1 VWEU (kartelverbod)
- Verordening (EEG) nr. 1984/83 van de Commissie van 22 juni 1983 betreffende de toepassing van artikel [85] van het Verdrag op groepen exclusieveafnameovereenkomsten, gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1582/97 van de Commissie van 30 juli 1997;
- Verordening (EG) nr. 2790/1999 van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen.

De procedure gaat tussen verzoekster en Repsol Comercial de Productor Petroliferos SA. Verzoekster Bright Service exploiteert sinds 1980 een tankstation en daarbij een winkel op een perceel in haar eigendom. In 1987 ondertekenen verzoekster en Campsa (de onderneming die het monopolie op aardolieproducten beheert) een authentieke akte en vestigt verzoekster ten behoeve van Campsa een recht van opstal op het perceel voor een looptijd van 40 jaar en tegen een prijs in peseta’s van omgerekend € 180.030. In hetzelfde jaar tekenen partijen ook nog een huur- en exclusieve afnameovereenkomst zodat verzoekster de exploitatie ter hand kan nemen. Verzoekster verplichtte zich daarbij producten uitsluitend bij Campsa dan wel een door Campsa aangewezen bedrijf af te nemen. In 1991 wordt Campsa gesplitst en worden de tankstations toegewezen aan Petronor, later vervangen door verweerster Repsol.
Er ontstaat een conflict tussen verzoekster en Repsol; verzoekster stelt dat de overeenkomsten die tussen partijen gesloten zijn in strijd zijn met artikel 81.1 EG (nu 101.1 VWEU) en dus nietig zijn. Het gaat dan met name om de verticale prijsbinding (Repsol bepaalt de verkoopprijzen) en de lange looptijd van de overeenkomst, te weten 40 jaar. De rechter in eerste aanleg verklaart beide overeenkomsten nietig. Tegen dat oordeel is Repsol in beroep gegaan omdat zij van oordeel is dat de vrijstellingen langer geldig zijn, nl. niet tot 2001 zoals de rechter oordeelt, maar tot eind 2006 (artikel 12.2 Vo. 2790/1999).

De verwijzende SPA-rechter legt het HvJEU de volgende vraag voor:
“Moet bij de beoordeling van een verticale overeenkomst – met een nietconcurrentiebeding – die op 31 mei 2000 reeds van kracht [was] (omissis), aan de in verordening nr. 1984/1983 vastgestelde voorwaarden voldoet en niet aan de voorwaarden voor vrijstelling van verordening nr. 2790/1999 voldoet omdat de leverancier die partij is bij de overeenkomst, een marktaandeel van meer dan 30 % heeft (artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2790/1999) en omdat de duur van het niet-concurrentiebeding vijf jaar overschrijdt en de contractgoederen door de afnemer worden verkocht in lokaliteiten en op terreinen die geen eigendom van de leverancier zijn (artikel 5, sub a, van verordening nr. 2790/1999), artikel 12, lid 2, van verordening nr. 2790/1999 aldus worden uitgelegd:
a) dat vanaf 1 januari 2002 de overeenkomst, en in het bijzonder het nietconcurrentiebeding, niet onder de vrijstellingen van deze verordeningen (nr. 1984/1983 en nr. 2790/1999) valt en er per geval moet worden nagegaan of de overeenkomst en het niet-concurrentiebeding in overeenstemming zijn met artikel 81, lid 1, EG, dan wel
b) dat op die overeenkomst de maximale duur van vijf jaar moet worden toegepast die in artikel 5, sub a, van verordening nr. 2790/1999 is vastgelegd voor de looptijd van het niet-concurrentiebeding, zodat voor de overeenkomst, en in het bijzonder het niet-concurrentiebeding, vanaf 1 januari 2002 een nieuwe termijn van vijf jaar geldt die eindigt op 31 december 2006, dan wel c) dat voor de overeenkomst die een niet-concurrentiebeding bevat, vanaf 1 januari 2002 een nieuwe termijn van vijf jaar geldt, die eindigt op 31 december 2006, wanneer de resterende geldigheidsduur van het niet-concurrentiebeding op 1 januari 2002 niet meer dan vijf jaar bedraagt, maar dat die overeenkomst niet onder de vrijstellingen valt en er per geval moet worden nagegaan of zij in overeenstemming is met artikel 81, lid 1, EG wanneer de resterende geldigheidsduur van het niet-concurrentiebeding op 1 januari 2002 meer dan vijf jaar bedraagt?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-279/06 CEPSA; C-260/07 Pedro IV Servicios
Specifiek beleidsterrein: EZ

Gerelateerde documenten