C-144/20 LatRailNet

Contentverzamelaar

C-144/20 LatRailNet

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     27 mei 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     13 juli 2020

Trefwoorden : spoorwegruimte; toezicht; concurrentie

Onderwerp :

-           Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad;

-           Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte;

 

Feiten:

AS LatRailNet (verzoekster) is belast met de uitoefening van de essentiële taken van de beheerder van de Letse spoorweginfrastructuur. Verzoekster heeft de bepalingen van de heffingsregeling vastgesteld. Verweerster (VDA; de nationale toezichthoudende instantie voor de spoorwegen) heeft verzoekster bij besluit gelast om de heffingsregeling aan te passen, omdat deze onverenigbaar zou zijn met de Letse spoorwegenwet. Verzoekster vorderde nietigverklaring van dit bestreden besluit en voerde aan dat zij volgens de Letse spoorwegenwet bevoegd is voor het ontwikkelen en vaststellen van de heffingsregeling. Verweerster zou haar bevoegdheden hebben overschreden door verzoekster te verplichten om de heffingsregeling te wijzigen, en de specifieke inhoud voor te schrijven. Daarnaast kan verzoekster niet voldoen aan de vereisten van verweerder om het concurrentievermogen en de solvabiliteit van het marktsegment openbare vervoersdiensten te evalueren om extra heffing op te leggen, omdat er geen sprake is van concurrentie in het betreffende marktsegment. De Letse spoorweginfrastructuurbeheerder (VAS LD) ondersteunt de punten van verzoekster als belanghebbende derde.

 

Overweging:

Gezien de uitspraken van het Hof, leidt de verwijzende rechter uit een prima-facieanalyse van het rechtskader af dat verweerder (als toezichthoudende instantie) enkel over de bevoegdheid om uit eigen beweging op te treden beschikt om discriminatie van de aanvragers te voorkomen, en dat zij daarenboven, bij het vaststellen van de extra heffing voor het marktsegment passagiersvervoersdiensten in het kader van een openbaredienstcontract, een evaluatie van onder meer het concurrentievermogen van dat segment dient te verrichten. Aangezien de verwijzende rechter vragen heeft over de uitlegging van artikel 32(1) en artikel 56(2) van richtlijn 2012/34, acht hij het noodzakelijk om het Hof prejudiciële vragen voor te leggen.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 56, lid 2, van richtlijn [2012/34] aldus worden uitgelegd dat de toezichthoudende instantie de bevoegdheid wordt verleend om uit eigen beweging besluiten vast te stellen waarbij de entiteit die de in artikel 7, lid 1, van de richtlijn bedoelde essentiële taken van de spoorweginfrastructuurbeheerder uitoefent wordt gelast om in de bepalingen betreffende de berekening van de heffingen voor het gebruik van infrastructuren (de heffingsregeling) bepaalde wijzigingen in te voeren die geen verband houden met discriminatie van aanvragers?

2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, is de toezichthoudende instantie bevoegd om bij een dergelijk besluit voorwaarden vast te stellen waaraan die wijzigingen moeten voldoen, bijvoorbeeld door de verplichting op te leggen om eerder geprogrammeerde, door de staatsbegroting of door de begrotingen van lokale overheden gedekte kosten die de passagiersvervoerders zelf niet kunnen financieren met de inkomsten uit het vervoer, uit te sluiten van de criteria voor de vaststelling van de heffingen voor het gebruik van infrastructuren?

3) Moet artikel 32, lid 1, van richtlijn [2012/34] aldus worden uitgelegd dat de in dit lid aan de lidstaten opgelegde verplichting om een optimale concurrentiepositie van spoorwegmarktsegmenten te waarborgen, door extra heffingen toe te passen op de heffingen voor het gebruik van infrastructuur, ook van toepassing is op de vaststelling van de heffingen voor het gebruik van infrastructuren in marktsegmenten waarbinnen geen sprake is van concurrentie, bijvoorbeeld omdat het vervoer in het betrokken marktsegment wordt verricht door slechts één spoorwegexploitant aan wie het in artikel 2,  onder f, van verordening nr. 1370/2007 bedoelde exclusieve recht is verleend om vervoersdiensten in dat marktsegment te verrichten?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Commissie/Spanje C-483/10; Commissie/Duitsland C-556/10; CTL Logistics C-489/15; Commissie/Tsjechië C-545/10;

Specifiek beleidsterrein: IenW; EZK