C-150/21 Prokuratura Rejonowa Łódź-Bałuty

Contentverzamelaar

C-150/21 Prokuratura Rejonowa Łódź-Bałuty

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     30 april 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     16 juni 2021

Trefwoorden : wederzijdse erkenning; grensoverschrijdende tenuitvoerlegging opgelegde geldelijke sanctie

Onderwerp :

-           Kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties.

Feiten:

Bij beslissing van 17-01-2020 is D.B een geldboete van 92 EUR opgelegd onder de Nederlandse Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften voor te snel rijden. Deze beslissing is onherroepelijk geworden op 28-02-2020. Op 22-09-2020 is bij de verwijzende rechter een verzoek van de Nederlandse autoriteiten tot tenuitvoerlegging van de aan D.B opgelegde geldelijke sanctie ingekomen. Op 06-11-2020 heeft de verwijzende rechter bij het Centraal Justitieel Incassobureau vragen gesteld over de beroepsprocedure tegen de beslissing tot het opleggen van de geldelijke sanctie en de hoedanigheid van de beroepsinstantie. Het antwoord is op 22-02-2021 bij de verwijzende rechter ingekomen.

Overweging:

Gelet op de in 2019 en 2020 gewezen arresten van het Hof over de hoedanigheid van ‘rechterlijke autoriteit’ van een openbaar aanklager in het kader van het kaderbesluit inzake het Europees aanhoudingsbevel (o.a. gevoegde zaken C-508/18 en C-82/19 PPU (OG en PI) en zaak C-489/19 PPU (NJ)) is de verwijzende rechter van oordeel dat er ernstige twijfel bestaat over de juridische aard van de beslissing waarmee een geldelijke sanctie wordt opgelegd door de Nederlandse centrale autoriteit, aangezien deze autoriteit een bestuurlijk karakter heeft en tegen de beslissing tot oplegging van een geldelijke sanctie beroep kan worden ingesteld bij een openbaar aanklager, en niet bij een rechter.

Prejudiciële vragen:

1. Voldoet een beslissing tot oplegging van een geldelijke sanctie die is gegeven door de Nederlandse centrale bestuurlijke autoriteit die is aangewezen op grond van artikel 2 van kaderbesluit 2005/214/JBZ van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties, waartegen beroep kan worden ingesteld bij het Openbaar Ministerie, dat organisatorisch ressorteert onder de minister van Justitie, aan de criteria van een beslissing waartegen beroep kan worden ingesteld “bij een in strafzaken bevoegde rechter” in de zin van artikel 1, onder a), ii) van het kaderbesluit? [Or. 2]

2. Kan aan het criterium dat tegen een beslissing waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd, beroep openstaat bij een “in strafzaken bevoegde rechter”, geacht worden te zijn voldaan wanneer een beroep bij een rechtbank pas in een later stadium van de procedure mogelijk is, dat wil zeggen nadat het beroep door het Openbaar Ministerie is afgewezen, en bovendien in bepaalde gevallen de betaling van een vergoeding meebrengt die overeenkomt met de opgelegde sanctie?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: OG en PI, gevoegde zaken C-508/18 en C-82/19 PPU; NJ, C-489/19 PPU; C-60/12; LM, C-216/18 PPU.

Specifiek beleidsterrein: JenV