C-152/13 Holger Forstmann Transporte

Contentverzamelaar

C-152/13 Holger Forstmann Transporte
Prejudiciële Hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:  16 mei 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:  2 juni 2013
Schriftelijke opmerkingen:                  2 juli 2013
Trefwoorden: belastingen; energie; vrij verkeer van goederen

Onderwerp:
Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (Pb L 283, blz. 51)

Verzoekster exploiteert een transportbedrijf. Zij bezit een voertuig gefabriceerd door Daimler AG, waarin een brandstofreservoir van 780 liter is ingebouwd. Er kan een tweede tank in maar daar wacht verzoekster mee omdat er iets aan het voertuig aangepast moet worden om bepaalde goederen te kunnen transporteren. Zowel het eerste als het nog te plaatsen tweede reservoir moeten daarvoor een andere plek krijgen. De aanpassing van het voertuig en de (ver)plaatsing van de tanks geschieden door een andere firma. De tweede tank is niet bij fabrikant Daimler aangeschaft.
Verzoekster tankt regelmatig in NL omdat de tarieven daar lager liggen. Zij rijdt de auto’s vervolgens de grens over; de brandstof wordt dan ook uitsluitend in DUI verbruikt. Zij doet steeds aangifte bij de douane (verweerster). In juli 2012 krijgt verzoeker aanslagen energiebelasting over tank 2, omdat de brandstof DUI is binnengebracht, en in september 2012 krijgt zij ook over tank 1 een aanslag. Reden dat verweerder alsnog belasting heft is dat de tanks niet in serie zijn aangebracht.
Verzoekster dient bezwaarschriften in maar die worden afgewezen. In beroep eist zij vernietiging van de besluiten daar zij van mening is dat de brandstof in beide reservoirs vrijstelling dient te genieten. Zij stelt dat verweerders uitleg van het nationale recht in strijd is met Europese regels: het verhindert het vrije verkeer van goederen en bevordert dubbele belastingheffing. De door verweerder genoemde serie-inbouw van voorraadtanks is in de praktijk al lang niet meer mogelijk.

De verwijzende DUI rechter constateert dat hier volgens de nationale regels niet is voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling van energiebelasting (‘brandstof in het normale reservoir’). Het probleem zit hier dus in het proces van de inbouw van de twee tanks die niet meteen in de fabriek zijn aangebracht. Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU
1. Moet het begrip fabrikant in de zin van artikel 24, lid 2, eerste streepje, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB L 283, blz. 51) aldus worden uitgelegd dat ook carrosserieconstructeurs of dealers daaronder vallen, wanneer zij het brandstofreservoir bij de fabricatie van het voertuig hebben aangebracht, en verschillende zelfstandige ondernemingen om technische en/of economische redenen de arbeid daarbij onderling hebben verdeeld?
2. Indien de eerste vraag bevestigend moet worden antwoord: hoe moet in dit geval de voorwaarde van artikel 24, lid 2, eerste streepje, van richtlijn 2003/96 worden uitgelegd, volgens hetwelk het moet gaan om voertuigen „van hetzelfde type”?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-292/02 Meiland Azewijn
Specifiek beleidsterrein: FIN
Mede EZ

Gerelateerde documenten