C-155/22 Bezirkshauptmannschaft Lilienfeld

Contentverzamelaar

C-155/22 Bezirkshauptmannschaft Lilienfeld

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    4 mei 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    20 juni 2022

Trefwoorden : overtredingen, bedrijfsvoering, vervoersonderneming, betrouwbaarheid

Onderwerp :

•          Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad

•          Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad

•          Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer

•          Richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 inzake minimumvoorwaarden voor de uitvoering van de verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en tot intrekking van richtlijn 88/599/EEG van de Raad

Feiten:

Verzoekster is een verantwoordelijke persoon in de zin van § 9, lid 2, laatste volzin, wet bestuursstrafrecht (VStG) die voor de naleving van de arbeidstijdenwet (AZG) door H.Z., gevestigd te H., verantwoordelijk is. Bij deze vennootschap is S.R. in dienst, die een vrachtwagen met oplegger met een maximaal toegestaan totaalgewicht van meer dan 3,5 ton over de nationale weg heeft bestuurd. Verzoekster wordt van een aantal administratieve overtredingen beschuldigd. Ten tijde van de inbreuken was H.Z. de werkgever van de bestuurder S.R. in de zin van de AZG en een vervoersonderneming in de zin van verordening 1071/2009 en in de zin van de wet inzake goederenvervoer over de weg (GütbefG). H.Z. was ten tijde van de inbreuken houder van een vergunning voor het internationale goederenvervoer. De handelsrechtelijke bedrijfsleider was tevens de vervoersmanager. Verzoekster was ten tijde van de inbreuken noch vervoersmanager noch een tot vertegenwoordiging naar buiten toe bevoegd orgaan van H.Z. Zij had geen beslissende invloed op de bedrijfsvoering van H.Z. Bij inleiding van de strafprocedure bevatte het strafregister van verweerder 113 definitieve eerdere veroordelingen van verzoekster, waaronder 65 definitieve eerdere veroordelingen wegens inbreuken van H.Z. op de communautaire regelgeving als vervoersonderneming in de zin van de AZG. Er kon niet worden vastgesteld dat de betrouwbaarheid van H.Z. als vervoersonderneming ooit in het licht van deze inbreuken is gecontroleerd.

Overweging:

De verantwoordelijke personen in de zin van § 9, lid 2, laatste volzin, VStG behoren volgens de bewoordingen en naar de ontstaansgeschiedenis van het GütbefG niet tot de groep van „vastgestelde relevante personen” in de zin van artikel 6, lid 1, van verordening 1071/2009. Tot de „personen die een beslissende invloed op de bedrijfsvoering hebben” in de zin van § 91, lid 2, wet inzake handel en nijverheid (GewO) behoren volgens de nationale rechtspraak een handelsrechtelijke bedrijfsleider of een meerderheidsaandeelhouder, maar niet de ondernemingsrechtelijke bedrijfsleider. Derhalve behoort verzoekster ongetwijfeld niet tot de relevante personen in de zin van artikel 6 van verordening 1071/2009. In gevallen waarin de inbreuk op de communautaire regelgeving die de betrouwbaarheid in de zin van verordening 1071/2009 aantast, is gepleegd door een persoon zonder beslissende invloed op de bedrijfsvoering, die bijgevolg niet binnen de werkingssfeer van § 91, lid 2, GewO valt, is de benoeming op grond van § 9, lid 2, laatste volzin, VStG uiteindelijk in strijd met artikel 22 van verordening 1071/2009, aangezien ernstige inbreuken op de communautaire regelgeving wegens de ontbrekende beslissende invloed van de dader op de bedrijfsvoering niet tot de intrekking van de vergunning kunnen leiden. De vraag rijst hoe de aangezochte rechter de nationale rechtssituatie met de krachtens artikel 6 van verordening 1071/2009 vereiste controle van de betrouwbaarheid wegens de in casu aan de orde zijnde – deels zeer ernstige – inbreuken op de communautaire regelgeving kan verzoenen.

Prejudiciële vraag:

Moet het Unierecht aldus worden uitgelegd dat een nationale bepaling daarmee verenigbaar is op grond waarvan het is toegestaan dat de personen die strafrechtelijk aansprakelijk zijn voor een vervoersonderneming hun aansprakelijkheid voor zeer ernstige inbreuken op de communautaire regelgeving betreffende de rij- en rusttijden van bestuurders in overleg aan een natuurlijke persoon kunnen overdragen, wanneer door deze overdracht de controle van de betrouwbaarheid in de zin van verordening (EG) nr. 1071/2009, waarin de nationale bepalingen slechts in geval van bestraffing van de overdragende strafrechtelijk aansprakelijke personen voorzien, achterwege blijft?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV, IenW