C-158/13 Rajaby

Contentverzamelaar

Terug C-158/13 Rajaby

Prejudiciële Hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:  30 mei 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:  16 juni 2013
Schriftelijke opmerkingen:                  16 juli 2013
Trefwoorden: Asiel (‘Dublin II’-verordening); EVRM; ambtshalve toetsing

Onderwerp: Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend

Op 3 mei 2011 heeft de echtgenote van verzoeker Hamidullah Rajaby, mw F. Moeby tezamen met haar twee minderjarige kinderen, asiel gevraagd voor bepaalde tijd. StasVenJ (verweerder) wijst op 23 mei de aanvraag af omdat het vluchtverhaal niet ‘positief overtuigend’ wordt geacht. Mw Moeby vraagt en krijgt voorlopige voorziening dat zij en de kinderen tot vier weken nadat op hun beroep is beslist niet mogen worden uitgezet. Op 6 juni 2011 vraagt Rajaby asiel voor bepaalde tijd aan, deze aanvraag wordt op 15 juni afgewezen omdat ITA voor de behandeling verantwoordelijk zou zijn. Ook hij vraagt en krijgt een voorlopige voorziening dat hij zolang niet op beroep is beslist niet mag worden uitgezet. De zaken zijn voor verdere behandeling gevoegd.
Verzoekers zijn in 2005 in Afghanistan gehuwd, en in 2010 met de kinderen naar het buitenland uitgeweken, via GRI. De vrouw komt in maart 2011 met behulp van een mensensmokkelaar die zich als haar echtgenoot voordoet in het AC Ter Apel aan, de man is vanuit GRI naar ITA gereisd, aldaar aangehouden, geregistreerd en toch lukt het hem per trein via FRA naar NL te reizen waar hij zich in mei 2011 bij de vreemdelingenpolitie meldt.
Verweerder haalt de gegevens van de ITA politie boven water dat verzoeker aldaar is geregistreerd en claimt bij de ITAaut dat zij verzoeker terugnemen. Het verweer van verzoeker dat hij in ITA geen asiel heeft aangevraagd wordt niet gehonoreerd.
Verzoekers hebben in de bestuurlijke fase een beroep gedaan op artikel 14 van Vo. 343/2003 omdat de meeste gezinsleden in NL asiel hebben aangevraagd, maar in beroep stelt verzoeker dat GRI verantwoordelijk is omdat het gezin dat land als eerste de EU is binnengereisd, en niet zoals verweerder stelt ITA. Overdracht aan ITA zou strijdig zijn met artikel 3 EVRM; de rechtsbijstand zou in ITA onvoldoende zijn. Verzoeker stelt echter dat hij, gezien de reis naar NL van de overige gezinsleden, dat hij bij asiel in ITA geen enkel belang had.
Verweerder stelt dat Vo 343/2003 niet van toepassing is omdat de aanvraag van de echtgenote al was afgewezen voordat verzoeker asiel in NL aanvroeg.

De verwijzende NL rechter (Rb DH) stelt vast dat verzoekers niet tot de categorie ‘extra kwetsbare vreemdeling’ behoren en dat de ITA voorzieningen niet zo slecht zijn dat opvang aldaar niet goed zou zijn. Twistpunt tussen partijen blijft de kwestie of verzoeker in ITA asiel heeft aangevraagd. Hij vraagt zich af of het bestreden besluit getoetst dient te worden (en kán worden) aan artikel 14 van de Vo. Daarnaast speelt het beroep van verzoeker op artikel 15 van de Vo. (iedere lidstaat mág een asielverzoek, bijvoorbeeld op humanitaire gronden, behandelen.). Hij stelt het HvJEU de volgende vragen:
1. Is het in de omstandigheden van dit geding, waar een evidente schending van het Unierecht lijkt te bestaan die voor de toekomst gevolgen zal blijven hebben en waar partijen over de toepasselijkheid van artikel 14 Vo. 343/2003 in de bestuurlijke fase standpunten hebben uitgewisseld waarop zij in rechte niet zijn teruggekomen maar waarop eiser in rechte ook geen uitdrukkelijk beroep meer heeft gedaan, in strijd met het Unierecht als de rechter vanwege het nationaalrechtelijke verbod op ambtshalve toetsing aan dat punt voorbijgaat?
2. Is van een afhankelijkheid in de zin van artikel 15, tweede lid, Vo. 343/2003 reeds sprake in de omstandigheden van het geding, dat wil zeggen als het bij de gezinsleden gaat om een jonge vrouw zonder enige opleiding, afkomstig uit Afghanistan, die wordt vergezeld door twee kinderen van thans 5½ en 3 jaar die te haren laste komen en voor wie zij bij de verzorging en opvoeding geen beroep kan doen op anderen dan eiser als haar echtgenoot en vader van de kinderen, terwijl voorts op haar asielaanvraag door verweerder in afwijzende zin is beslist omdat haar relaas geheel ongeloofwaardig is•geacht en dat relaas gestaafd kan worden met de verklaringen van eiser en de door hem meegebrachte (kopieën van) documenten?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:  C-411/10 en C-493/10 NS; C-249/11 Byankov
Specifiek beleidsterrein: VenJ

Gerelateerde documenten