C-159/21 Orszagos Idegenrendeszeti Foigazgatosag e.a.

Contentverzamelaar

C-159/21 Orszagos Idegenrendeszeti Foigazgatosag e.a.

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik
hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     12 mei 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     28 juni 2021

Trefwoorden : asiel; migratie; procedurerichtlijn;

Onderwerp :

-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; 

-           Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (hierna: procedurerichtlijn);

-           Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (hierna: erkenningsrichtlijn).

Feiten:

Verzoeker (Syrische nationaliteit) heeft in 2005 asiel aangevraagd en werd voor bepaalde tijd toegelaten op grond van het beginsel van non-refoulement. Deze status is hem echter bij de herziening in 2010 bij een door de rechter bekrachtigd besluit ontnomen. Verzoeker heeft in 2011 wederom een verzoek om erkenning als vluchteling ingediend, waarna hij als vluchteling „sur place” werd erkend. Vervolgens is in 2019 ambtshalve een administratieve procedure ingesteld tot intrekking van de vluchtelingenstatus. Het thans voor de verwijzende rechter aanhangige geding betreft de rechterlijke toetsing van het intrekkingsbesluit, maar tegelijkertijd is vastgesteld dat het beginsel van non-refoulement op hem van toepassing is. De intrekking is gebaseerd op adviezen van verweerders II en III (bureau voor de bescherming van de grondwet en centrum voor terreurbestrijding). In deze adviezen werd geconcludeerd dat de aanwezigheid van verzoeker in Hongarije een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Daarom heeft de bevoegde asielautoriteit vastgesteld dat er gronden zijn  om verzoeker uit te sluiten van zowel de vluchtelingenstatus als de subsidiairebeschermingsstatus. Verzoeker beklaagt zich erover dat hij geen kennis kan nemen van de als “geheim” gekwalificeerde informatie dat ten grondslag ligt aan de adviezen. De asielautoriteit kan daar ook geen kennis van nemen en het niet controleren, maar moet het advies wel opvolgen. Zelfs wanneer verzoeker toegang heeft tot de informatie, dan kan hij daar niet op ingaan in de gerechtelijke procedure volgens de geldende regelgeving.

Overweging:

De rechter heeft wel toegang tot de gerubriceerde informatie waar het besluit op is gebaseerd, maar kan deze informatie nergens gebruiken, noch daar in de gerechtelijke procedure of in zijn beslissing conclusies aan verbinden. De vraag rijst of de aangehaalde Hongaarse wetgeving voorziet in de door de procedurerichtlijn en het Handvest gewaarborgde rechten van verzoeker op een eerlijk proces en op een doeltreffende voorziening in rechte (eerste twee vragen). De Hongaarse wetgeving heeft tot gevolg dat het onderzoek en het inhoudelijke besluit uiteindelijk niet door de daartoe bevoegde asielautoriteit wordt gedaan/genomen, maar door twee adviserende overheidsinstanties die niet voldoen aan de in de procedurerichtlijn genoemde voorwaarden en niet beschikken over de in die richtlijn bedoelde machtiging om dat onderzoek te verrichten en dat besluit te nemen, en die hun procedures niet in overeenstemming met de materieel- en procesrechtelijke bepalingen van de relevante richtlijnen verrichten. Deze overheveling van bevoegdheden, die strijdig lijkt met het Unierecht, kan leiden tot schending van de procedurele waarborgen waarin het Unierecht voorziet (derde en vierde vraag). De asielautoriteit heeft vastgesteld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming vanwege een in 2002 vastgestelde strafrechtelijke veroordeling van verzoeker (misbruik verdovende middelen). Verzoeker heeft de vrijheidsstraf in 2004 uitgezeten. Op het moment van de verlening van de vluchtelingenstatus aan verzoeker was het strafbaar feit reeds bekend, desondanks is hij als vluchteling erkend. Destijds is de uitsluitingsgrond in verband met dit strafbaar feit hem niet tegengeworpen, noch door de asielautoriteit noch door de rechter die de beslissing nam over de erkenning van verzoeker als vluchteling (vijfde vraag).

Prejudiciële vragen:

1. Moeten artikel 11, lid 2, artikel 12, lid 1, onder d), en lid 2, artikel 23, lid 1, onder b), en artikel 45, lid 1 en leden 3 tot en met 5, van de procedurerichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), aldus worden uitgelegd dat zij vereisen dat, wanneer er sprake is van de in artikel 23, lid 1, van de procedurerichtlijn opgesomde, met redenen van nationale veiligheid verband houdende uitzonderingen, de autoriteit van de lidstaat die met betrekking tot internationale bescherming om redenen die verband houden met de nationale veiligheid een besluit neemt tot weigering of intrekking van die status, alsook de adviserende overheidsinstantie die een beslissing neemt over de geheimverklaring van de betreffende informatie, erop toezien dat de betrokken verzoeker/vluchteling/houder van de subsidiaire-beschermingsstatus en zijn raadsman hoe dan ook het recht hebben om kennis te nemen, en gedurende de procedure gebruik te maken, van ten minste de essentie van de geheime of gerubriceerde informatie waarop het besluit wordt gebaseerd, indien de bevoegde autoriteit zich erop beroept dat redenen van nationale veiligheid zich tegen de verstrekking van die informatie verzetten?

2. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, wat moet dan bij de toepassing van artikel 23, lid 1, en lid 1, onder b), van de procedurerichtlijn, gelezen in samenhang met de artikelen 41 en 47 van het Handvest, precies worden verstaan onder de „essentie” van de geheime of gerubriceerde informatie waarop het besluit wordt gebaseerd?

3. Moeten artikel 14, lid 4, onder a), en artikel 17, lid 1, onder d), van de erkenningsrichtlijn en artikel 45, lid 1, onder a), en leden 3 en 4, alsmede overweging 49 van de procedurerichtlijn aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling waarbij de intrekking of uitsluiting van de vluchtelingen- of subsidiaire-beschermingsstatus geschiedt op grond van een niet met redenen omkleed besluit dat uitsluitend is gebaseerd op een standaardverwijzing naar het evenmin met redenen omkleed doch bindend deskundigenadvies van een overheidsinstantie inzake het bestaan van het gevaar voor de nationale veiligheid, waarvan geen afwijking mogelijk is?

4. Moeten de overwegingen 20 en 34, artikel 4 en artikel 10, lid 2 en lid 3, onder d), van de procedurerichtlijn en de artikelen 14, lid 4, onder a), en 17, lid 1, onder d), van de erkenningsrichtlijn aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling waarbij het deskundigenonderzoek naar de uitsluitingsgrond wordt verricht, en de inhoudelijke beslissing daarover wordt genomen, door een overheidsinstantie wier handelen niet onder de materieel- en procesrechtelijke bepalingen van de procedurerichtlijn en de erkenningsrichtlijn valt?

5. Moet artikel 17, lid 1, onder b), van de erkenningsrichtlijn aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de uitsluiting op grond van een omstandigheid die, of een strafbaar feit dat, reeds vóór de vaststelling van de onherroepelijke administratieve en gerechtelijke beslissingen inzake de erkenning van betrokkene als vluchteling bekend was, maar geen grond vormde voor uitsluiting van de vluchtelingen- of subsidiaire-beschermingsstatus?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-300/11 en C-593/10; C-369/17; C-715/17 en C-380/18;

Specifiek beleidsterrein: JenV-DMB