C-16/15 Pérez López

Contentverzamelaar

Terug C-16/15 Pérez López

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   05 maart 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   19 maart 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   19 april 2015
Trefwoorden: sociale zekerheid; arbeidsovereenkomst

Onderwerp:
Richtlijn 1999/70 betreffende de (op 18 maart 1999) door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd

Verzoekster María Elena Pérez López werkt in de periode 05-02 – 31-07-2009 als verpleegkundige in het universiteitsziekenhuis van Madrid op (wettelijk geregelde) oproepbasis. Onmiddellijk na afloop krijgt zij een nieuwe aanstelling van 01-08 – 31-12-2009 en zo nog zeven keer. In totaal heeft zij zo meer dan vier jaar ononderbroken gewerkt. In januari 2013 stelt de verantwoordelijke overheidsdienst (als bezuinigingsmaatregel) een besluit vast met nieuwe regels voor het aannemen van tijdelijk personeel in overheidsdienst. Hierin is onder meer bepaald dat ‘als de einddatum van de aanstelling is aangebroken in elk geval moet worden overgegaan tot ontslag en eindafrekening over de periode waarin de werkzaamheden verricht zijn, zelfs als dezelfde persoon aansluitend een nieuwe aanstelling krijgt’. Verzoekster krijgt vervolgens per 31-03-2013 ontslag aangezegd, maar toch ook weer een nieuwe aanstelling tot en met 30-06-2013. Verzoekster vraagt nietigverklaring van haar ontslagaanzegging en stelt dat haar hernieuwde aanstelling op oproepbasis door wetsontduiking tot stand is gekomen. Opgeteld heeft zij bijna zes jaar als oproepkracht gewerkt waarmee het maximum zoals omschreven in de regelgeving ruimschoots is overschreden. Zij meent ook dat de door haar verrichte werkzaamheden meer overeenkomen met personeel op interimbasis (in plaats van de meer conjunctureel bepaalde behoefte aan oproepkrachten). Verweerster reageert niet zodat verzoekster op 13-09-2013 in beroep gaat bij de verwijzende rechter waar zij haar vordering herhaalt. Verweerster verzet zich tegen het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU omdat naar zijn mening de SPA regeling niet in strijd zijn met de Raamovereenkomst. Verweerster geeft toe dat er een keten aan aanstellingen bestaat maar dat niet gesteld kan worden dat sprake is van wetsontduiking. De medische diensten bepalen op welke basis een aanstelling plaatsvindt.

De verwijzende SPA rechter (Juzgado Contencioso-Administrativo nº 4 de Madrid) stelt vast dat het vinden van tijdelijk personeel voor (in het bijzonder) de Madrileense ziekenhuizen een structureel probleem vormt. Aangezien de uitspraak gevolgen kan hebben voor duizenden mensen wil hij toch het HvJ vragen de volgende vragen via de versnelde procedure te behandelen:
1) Is artikel 9.3 van Ley 55/2003, de 16 de diciembre, del Estatuto Marco del Personal Estatutario de los Servicios de Salud (wet 55/2003 van 16 december 2003 houdende het kaderstatuut voor statutair personeel van de gezondheidsdiensten) in strijd met de op 18 maart 1999 door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten Raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad, van 28 juni 1999, en dient dit derhalve buiten toepassing te blijven, aangezien door dit artikel misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende aanstellingen op oproepbasis in de hand wordt gewerkt, voor zover:
a) daarin geen maximale totale duur van opeenvolgende aanstellingen op oproepbasis wordt vastgesteld, noch een maximaal aantal vernieuwingen ervan?
b) het geheel aan de beoordeling van de overheid wordt overgelaten om te beslissen of structurele arbeidsplaatsen moeten worden gecreëerd bij meer dan twee aanstellingen van 12 maanden of langer binnen een periode van twee jaar voor de uitvoering van dezelfde werkzaamheden?
c) aanstellingen op oproepbasis kunnen worden verricht zonder dat wordt vereist dat de concrete objectieve reden van tijdelijke, conjuncturele of buitengewone aard die een dergelijke aanstelling rechtvaardigt, hierbij wordt vermeld?
2) Is artikel 11.7 van de Orden de la Consejería de Economía y Hacienda de la Comunidad de Madrid, de fecha 28 de enero de 2013 (besluit van 28 januari 2013 van het regionaal ministerie van Economie en Financiën van de autonome regio Madrid) in strijd met de op 18 maart 1999 door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten Raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999, en dient dit derhalve buiten toepassing te blijven, aangezien in dit artikel wordt bepaald dat „als de einddatum van de aanstelling is aangebroken in elk geval moet worden overgegaan tot ontslag en eindafrekening over de periode waarin de werkzaamheden verricht zijn, zelfs als dezelfde persoon aansluitend een nieuwe aanstelling krijgt”, aldus ongeacht of de concrete objectieve reden die de aanstelling rechtvaardigde, heeft opgehouden te bestaan, zoals is bepaald in clausule 3.1 van de Raamovereenkomst?
3) Is de uitlegging van de derde alinea van artikel 9.3 van Ley 55/2003, de 16 de diciembre, artikel 9.3 van Ley 55/2003, de 16 de diciembre, del Estatuto Marco del Personal Estatutario de los Servicios de Salud (wet 55/2003 van 16 december 2003 houdende het kaderstatuut voor statutair personeel van de gezondheidsdiensten) in overeenstemming met het doel van de op 18 maart 1999 door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten Raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999, welke uitlegging inhoudt dat, als voor de uitvoering van dezelfde werkzaamheden meer dan twee aanstellingen van 12 maanden of langer binnen een periode van twee jaar worden gegeven, de personeelsformatie van de instelling moet worden uitgebreid met een structurele arbeidsplaats, waardoor de werknemer met een aanstelling op oproepbasis een aanstelling op interim basis krijgt?
4) Is het in overeenstemming met het non-discriminatiebeginsel, neergelegd in de op 18 maart 1999 door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten Raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999, dat voor tijdelijk statutair personeel op oproepbasis dezelfde vergoeding geldt als die welke geldt voor werknemers met een arbeidsovereenkomst op oproepbasis, gelet op de wezenlijke overeenkomst tussen beide situaties? Het zou immers onbegrijpelijk zijn als werknemers met gelijke kwalificaties, die hun diensten verrichten bij hetzelfde bedrijf (Servicio Madrileño de Salud, gezondheidsdienst Madrid), dezelfde functie uitoefenen en voorzien in een identieke conjuncturele behoefte, verschillend worden behandeld wanneer hun arbeidsrelatie eindigt, zonder dat er een kennelijke reden is die het onmogelijk maakt arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd onderling te vergelijken om discriminatie te voorkomen.

Specifiek beleidsterrein: SZW mede VWS

Gerelateerde documenten