C-16/22 Staatsanwaltschaft Graz

Contentverzamelaar

C-16/22 Staatsanwaltschaft Graz

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    9 maart 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    23 april 2022

Trefwoorden : EOB, belastingdienst, rechterlijke autoriteit, openbaar ministerie

Onderwerp :

Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken

Feiten:

De dienst voor belastingstrafzaken en fiscale recherche van Düsseldorf (belastingdienst) heeft een onderzoek ingesteld tegen verdachte MS wegens verdenking van belastingfraude. Verdachte zou als bestuurder van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid in de periode van 2015 tot en met februari 2020 inkomsten uit de exploitatie van een bordeel met geschatte fiscale gevolgen ten bedrage van 1,6 miljoen euro niet hebben aangegeven. Ter verduidelijking van de feiten heeft de belastingdienst een Europees onderzoeksbevel (EOB) uitgevaardigd en op 23-07-2020 aan het openbaar ministerie Graz (Oostenrijk) toegezonden. De belastingdienst heeft het openbaar ministerie verzocht om bankafschriften op te vragen van twee bankrekeningen die bij een Oostenrijkse bank op naam van verdachte staan. Het EOB was ondertekend door de administratief directeur van de belastingdienst. In deel K van het EOB („Gegevens over de autoriteit die het EOB heeft uitgevaardigd”) is het hokje „rechterlijke autoriteit” aangekruist. Op 03-08-2020 heeft het openbaar ministerie Graz de tenuitvoerlegging van het EOB gelast. De rechter in eerste aanleg Graz, heeft op 05-08-2020 toestemming gegeven voor de tenuitvoerlegging. Verdachte heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing en is van mening dat de belastingdienst geen uitvaardigende en rechterlijke autoriteit is in de zin van artikel 1, lid 1, en artikel 2, onder c), van richtlijn 2014/41 en bijgevolg niet bevoegd om een EOB uit te vaardigen. De belastingdienst beschikt niet over de autonomie, onafhankelijkheid en vrijheid van instructies, die vereist zijn voor een rechterlijke autoriteit.

Overweging:

De verwijzende rechter verwijst naar een beslissing van de hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Wenen, Oostenrijk, van 02-06-2020, waarin is vastgesteld dat Duitse belastingautoriteiten in procedures volgens de Duitse AO rechten en plichten van het openbaar ministerie uitoefenen en bijgevolg optreden als rechterlijke autoriteiten in de zin van artikel 2, onder c), van richtlijn 2014/41. Derhalve moeten zij als „uitvaardigende autoriteiten” in de zin van richtlijn 2014/41 worden beschouwd. Blijkens een verklaring van de Permanente Vertegenwoordiging van de Bondsrepubliek Duitsland bij de Europese Unie is geregeld dat EOB’s die Duitse bestuurlijke autoriteiten aan een andere EU-lidstaat richten, overeenkomstig artikel 2, onder c), van richtlijn 2014/41 normaliter moeten worden gevalideerd door het openbaar ministerie bij de regionale rechter in wiens arrondissement de bestuurlijke autoriteit is gevestigd. Aangezien het EOB niet is gevalideerd overeenkomstig artikel 2, onder c), punt ii), tweede volzin, van richtlijn 2014/41, rijst de vraag of de belastingdienst met het oog op de uitvaardiging van een EOB gelijkgesteld kan worden met een rechterlijke autoriteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, en een officier van justitie als bedoeld in artikel 2, onder c), i), van richtlijn 2014/41. Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, mag dit EOB niet in Oostenrijk ten uitvoer worden gelegd.

Prejudiciële vraag:

Moeten artikel 1, lid 1, eerste volzin, en artikel 2, onder c), i), van richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken aldus worden uitgelegd dat ook een Duitse dienst voor belastingstrafzaken en fiscale recherche die volgens de nationale wetgeving bevoegd is om met betrekking tot bepaalde strafbare feiten de rechten en plichten van het openbaar ministerie uit te oefenen, wordt beschouwd als „rechterlijke autoriteit” en „uitvaardigende autoriteit” als bedoeld in deze bepalingen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Staatsanwaltschaft Wien (C-584/19), XK (C-66/20)

Specifiek beleidsterrein: JenV