C-161/13 Idrodinamica Spurgo Velox ea

Contentverzamelaar

C-161/13 Idrodinamica Spurgo Velox ea
Prejudiciële Hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:  21 mei 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:  7 juni 2013
Schriftelijke opmerkingen:                  7 juli 2013
Trefwoorden: overheidsopdrachten

Onderwerp:
Richtlijn 92/13/EEG, zoals gewijzigd bij artikel 2 van richtlijn 2007/66/EG, bepaalt met betrekking tot de opdrachten als bedoeld in richtlijn 2004/17/EG (plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, het verrichten van diensten en leveringen)

Acquedotto Pugliese SpA is een overheidsonderneming waarvan alle aandelen in handen van de regio Puglia zijn. Zij is verantwoordelijk voor de waterstaat in de regio. In 2011 maakt zij een procedure bekend voor inschrijving op een project voor diverse rioolwerkzaamheden met als gunningscriterium de laagste prijs. Het project wordt begin december 2011 gegund aan het tijdelijke samenwerkingsverband coop. Giovanni XXIII. De werkzaamheden worden gestart. De definitieve opdrachtovereenkomst is nog niet gesloten (moet binnen 60 dagen) als een partij zich uit het winnende samenwerkingsverband terugtrekt. Giovanni meent toch aan de aanbestedingseisen te kunnen voldoen en Acquedotto gaat daarmee akkoord. Op 17 april wordt de definitieve opdrachtovereenkomst gesloten.
Verzoekster maakt in mei 2012 bezwaar tegen de gevolgde procedure. (zij was als derde geëindigd in de aanbestedingsprocedure). Zij meent dat Acquedotto niet had mogen instemmen met de in het samenwerkingsverband Giovanni ontstane wijzigingen. En van de als tweede geëindigde kandidaat weet verzoeker te melden dat deze ten onrechte heeft verzwegen strafrechtelijk te zijn veroordeeld.
De zaak draait om de ontvankelijkheid van het ingediende beroep wegens het late tijdstip daarvan. Volgens de geldende ITA regelgeving geldt daarvoor een termijn van 30 dagen.

De verwijzende ITA rechter vraagt zich echter af of in deze zaak wel voldoende openheid van zaken is gegeven, en stelt het HvJEU de volgende vragen:
“A) Moeten de artikelen 1, 2 bis, 2 quater en 2 septies van richtlijn 92/13/EEG aldus worden uitgelegd dat de termijn voor het instellen van een beroep strekkende tot vaststelling van schending van de voorschriften voor het plaatsen van overheidsopdrachten begint te lopen op de dag waarop de verzoekende partij kennis had of met inachtneming van normale zorgvuldigheid kennis had moeten hebben van de schending?
B) Staan de artikelen 1, 2 bis, 2 quater en 2 septies van richtlijn 92/13/EEG in de weg aan nationale procesvoorschriften of uitleggingspraktijken, zoals die in het hoofdgeding, op grond waarvan een rechter een beroep strekkende tot vaststelling van schending van de voorschriften voor het plaatsen van overheidsopdrachten niet-ontvankelijk kan verklaren indien de verzoekende partij door de opstelling van de aanbestedende dienst na de formele mededeling van de wezenlijke onderdelen van de beschikking houdende definitieve gunning kennis heeft gekregen van de schending?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-406/08 Uniplex
Specifiek beleidsterrein: BZK
Mede EZ

Gerelateerde documenten