C-163/21 PACCAR e.a.

Contentverzamelaar

C-163/21 PACCAR e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik
hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     12 mei 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     28 juni 2021

Trefwoorden : mededinging; bewijsmateriaal; evenredigheid

Onderwerp :

Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van  het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (hierna: richtlijn);

Feiten:

Op 25-03-2019 verzochten 45 verzoekers (die als kopers van vrachtwagens vallen binnen de objectieve werkingssfeer van het besluit van de Europese Commissie van 19-07-2016) om toegang tot bewijsmateriaal dat in het bezit is van PACCAR Inc; DAF Trucks N.V en DAF Trucks Deutschland GmbH. Zij baseerden hun verzoek op art. 283 bis van het Wetboek van Burgerlijk Procesrecht, dat strekt tot omzetting in nationaal recht van de artikelen 5 tot en met 8 van de richtlijn. Tijdens deze hoorzitting hebben verweerders bezwaar gemaakt tegen het verzoek op grond van argumenten die, zeer summier, waren gebaseerd op het ontbreken van procesbevoegdheid bij sommige verzoekers, op het ontbreken van territoriale bevoegdheid van de rechtbank, op het ontbreken van passieve legitimatie bij sommige verweerders die in het besluit van de Europese Commissie niet als inbreukplegers werden genoemd, op twijfels over het bestaan van een prijsverhoging of een hoger [brandstof]verbruik, alsook op de niet-evenredigheid van het verzoek en op de noodzaak om maatregelen te nemen ter bescherming van de vertrouwelijkheid. Ten slotte betoogden verweerders dat sommige documenten ad hoc moesten worden opgesteld.

Overweging:

De prejudiciële vraag strekt ertoe duidelijkheid te verkrijgen over de draagwijdte en grenzen van het in de artikelen 5 tot en met 8 van de zogenoemde schadevergoedingsrichtlijn neergelegde systeem van openbaarmaking van bewijsmateriaal. Dit systeem, dat bij art. 283 bis van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is omgezet in het Spaans procesrecht, zal niet alleen worden gebruikt voor het verzoek in de onderhavige procedure, maar ook voor verzoeken in toekomstige procedures in het kader van de privaatrechtelijke toepassing van het mededingingsrecht. Het antwoord op de prejudiciële vraag zal in deze zaak beslissend zijn, omdat het verzoek om toegang tot de bronnen van het bewijsmateriaal (overlegging van documenten) gericht tot verweerders ertoe kan leiden dat de verweerders niet slechts reeds bestaande documenten aan verzoekers moeten overleggen, maar ook ex novo gecreëerde documenten, op basis van reeds in hun bezit zijnde gegevens en informatie.

Prejudiciële vraag:

Dient art. 5, lid 1, van richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014, betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat de overlegging van relevant bewijsmateriaal uitsluitend betrekking heeft op reeds bestaande documenten die in het bezit zijn van de verweerder of van een derde of, indien dit niet het geval is, omvat art. 5 lid 1 dan ook de mogelijkheid om documenten te overleggen die de partij tot wie het verzoek om informatie is gericht ex novo moet vervaardigen, door informatie, kennis of gegevens waarover zij beschikt te compileren of te rubriceren.

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK; JenV